Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duren, verzekerden zij den Keizer, of China zou voor een bankroet staan. Gedurende verscheidene jaren vervulde deze aangelegenheid, waarbij, niet de moreele maar de economische zijde het cardinale punt was, aller gemoed en de eerwaardige Pekingsche krant bevatte geregeld nota's en verhandelingen, gericht tegen den opium-invoer. Het was een volkomen eerlijke campagne van den kant van vele Chineezen. Ten slotte kreeg de meening de overhand en werd algemeen, dat er maar één middel bleef om het land voor verdere verarming te behoeden: de vreemde handelaren het land uit te zetten en het te Kanton voorradige opium te vernietigen.

Intusschen bemoeilijkte men hier al zooveel doenlijk den invoer van het heulsap en verbood het georuik daarvan aan Chineezen. Vóór de gebouwen van den Europeeschen handel werden zelfs Chineezen afgestraft, die dit verbod overtraden. Het geschil liep ten slotte zóó hoog, dat de Regeering in 1839 een Commissaris, Lim, naar Kanton zond, om den geheelen verderen handel in opium te verbieden. Te Kanton aangekomen, eischte Lim van den Engelschen superintendent Elliot de geheel voorraad opium op, die zich te Kanton gaandeweg had opgestapeld. De ruim twintig duizend kisten werden hem overgeleverd. Lim deed ze naar zee terugbrengen en ze daarin storten, nadat het opium, dat ze bevatten, eerst onbruikbaar was gemaakt. Bij deze maatregel, waarbij aan de eigenaren van het opium vergoeding werd toegekend noch toegezegd, liet Lim het niet. Hij verbood allen verderen handel in opium op zware straffen en noemde in zijn

Sluiten