Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo, waar Fred. van Eeden in zijn Wijkrans van Drievoudzangen aanvangt (God en Mensch):

Aanhoort mijn lied, gij kindre' en wankelt niet.

Mijn hart beeft en mijn zinnen zijn onstaag,

Maar zie, hoe 'k op mijn sidderende palmen roerlooze vlammen draag.

daar denken we onwillekeurig aan Bilderdijk's aandoening in bijna gelijknamig vers (God en de Mensch):

Ik nader, 'k zinge U dank, en smeltende in die galmen,

Van onmacht, reike ik de arm en dorre handenpalmen Ten hemel, te Uwaart. 't Is Uw volheid, die mij dringt.

Deze gelijkenis moge van Eeden, die niet van Bilderdijk houdt, verrassen, zij is nochtans wezenlijk en niet oneervol.

Elders kunnen de Boeddhisten niet vooruitstrevender zijn dan hij, waar hij in zijn beroemd meesterwerk < De Dieren» beweert, dat de geest der dieren onsterfelijk is evenzeer als die der menschen, en zelfs uitdrukkelijk verklaart:

O Mensch! vergaat de geest, ook de uwe (sidder vrij!)

Staat vlotter dan de golf van 't ebbend stroomgetij.

Kollewijn heeft gelijk, waar hij zegt, dat deze dichter zijn tijd in menig opzicht vooruit was, dat door velen thans natuurlijk wordt gevonden, wat in hem nog krankzinnigheid werd geacht. Bilderdijk staat echter op een ander beginsel dan de Boeddhisten: de mensch kan geen dier worden of omgekeerd, want het dierenrijk herbergt een deel der gevallen hemelgeesten; wél is voor het dier zijn huidige stoffelijke gedaante een overgangsvorm als bij de Boeddhisten, maar de mensch behoudt zijn lichaam. Ziehier de slotregels, die dit beduiden:

't Omwindeld wezen breekt uit de omgewonden doeken;

De geest zijn dierpels uit, om 's Vaders huis te zoeken;

De slaaf zijn tuchtkluis. Tucht en tuchtstaat liepen af,

Een nieuwe stand neemt plaats: herstel, of — zwaarder strat Ons lichaam slechts is 't ons (wij zijn er in ontsproten);

Niet, na 't bestaan der ziel, als kleeding aangeschoten,

Maar eigendom; en 't blijft, veredeld en verfijnd,

Zoo lang de Hemelglans het grensloos al beschijnt.

Der dieren zielen bestonden dus, volgens Bilderdijk, voordat der dieren vormen bestonden, dezer ontstaan is te danken aan de ontaarding van engelen-zielen; den minst zondigen, zij, die berouw en schuld ge-

Sluiten