Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgrond in de plaats van het heldhaftige, de leerdichten, Afscheid enz. Dus kunnen de jaren 1795—1818 onmogelijk éen enkele periode vormen. Zoo dient men verder alle stroomingen in Bilderdijk's poëzie na te gaan.

Vermeldenswaard is De Clercq's oordeel in deze Wenken: <In denzoo geheel oorspronkelijken Muis- en Kikvorschkrijg toonde hij, hoe zijn vernuft met alles wist te spelen, en hoe hij zich in zijne poëzij evenzeer vereenzelvigen kon met eene snappende muis of een opgeblazen kikvorsch, als met den Voorzoon uit het Paradijs, den minnaar van Elpine, die de Engelenwacht van Eden trotseert.»

In de studie van De Clerq vinden wij vaak de kiemen van wat latere critici nog scherper en klaarder gezegd of aangetoond hebben. Zoo o. a. omtrent Bilderdijk's toenemend meesterschap over de alexandrijnen. (Zie Beets). Een deel zijner meeningen is door betere vervangen, doch voor een eerste proeve is zijn artikel zeer verdienstelijk.

Zeer ten onrechte laakt hij Bilderdijk's navolgingen van Horatius, terwijl hij integendeel het slechts in enkele deelen geslaagde Aan Europa ook hier hoogelijk prijst, dit vers zou zelfs «een geheel nieuw tijdvak openen in de geschiedenis van den Nederlandschen Lierzang.» Hoe kon dit nog in l837 gezegd worden 1).

Van belang acht ik de volgende aanhalingen. Eerstens over de Winterbloemen (1811) (men bemerkt het verschil met zijn aanteekening in het dagboek): «De schoone verzen op Homerus, waarmede het eerste deel van dezen bundel geopend wordt, zullen door elk, die dezelve maar ééns las, niet ligt vergeten worden. Alles is hier sierlijk gekozen, maar mist de warmte, die men in de verzen van de jeugd of van den ouderdom des dichters vindt. Trouwens is het eigenaardig aan den mannelijken leeftijd, kort te zijn in deszelfs gesprekken en minder uitstortende te zijn dan de jongeling, die denkt, dat hij zooveel te zeggen heeft, dat nog nimmer werd medegedeeld, of de grijsaard, die alles nog eens verhalen wil. Ook moet men hierbij niet vergeten, dat deze bundels in die dagen der verdrukking uitkwamen, toen alles, wat op onzen vroegeren roem en geschiedenis kon slaan, als aanleiding tot opstand werd beschouwd.»

I) Ook Pan, ook Beets zwaaien ongelukkigerwijze dit vers lof toe. De aanvang van eenige strofen moge echter spreken: „Vanwaar (gij, Volken, spreekt!) Enthands, door ijdlen waan. Zij, zou zij 't dulden? Neen. Reeds heeft de afgrijsbre pest. Reeds treedt zij voort. Reeds heft zij van de spits. Behoed ons. Hemel! Neen! Rampzaligen! van waar ? Hoe zijt gij 't kroost van hun ? Helaas! een schuldige eeuw. Ach! Wat den Stamnaam draagt. Vandaar, vandaar 't verval. Zie daar. ó Zwijg, onteerde sponde. Bedorven evenzeer. Hoel houdt er? Gewisl Neen. dit geslacht, ó Tijd, 6 gruwbre Tijd. Vergeefsch gewenscht! helaas 1" Bilderdijk's verhevenheid lijdt ditmaal schipbreuk.

Sluiten