Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de Affodillen (eerst in 1814 verschenen). «Een genie als Bilderdijk, ééns een pad ingetreden, verlaat hetzelve niet zoo spoedig, maar zoekt integendeel steeds verder op hetzelve door te dringen. Na zich eerst in het gebied der kunsten te hebben opgehouden, trok hij nu verder in dat der bespiegelende wijsbegeerte, bezong de heiligheid van den Echt, zocht met de wijsgeeren der volken naar het Waarachtige Goed, beschreef de Zucht naar het Vaderland s het schepsel ontkiemd, wanneer hij de leegten in de ij delheid van zijn bestaan alhier leert erkennen, en verloor zich eindelijk in het mateloos ruim der Geestenwareld. Hij geraakte tot vele uitkomsten, waartoe ook de Openbaring Gods brengt, doch grondde dezelve nog meer op eene wijsgeerige, dan op eene christelijke beschouwing.» Deze uiting van De Clercq getuigt van kunde en doorzicht en bewijst, dat hij den denker in Bilderdijk heeft opgemerkt, hij betreedt hier een goed en nieuw terrein, doch gaat niet verder dan een paar stappen.

Is Bilderdijk zijn geheele leven al vrijmoedig geweest in zijne uitingen, in zijn ouderdom vooral stort hij zijn geheele gemoed met al zijne stemmingen open en bloot uit. «Men weet, zegt De Clercq, gelijk wij reeds opmerkten, dat de grijsheid veelal rijk in woorden en herhalingen is, dat het haar dikwijls aan de kracht ontbreekt, om in te houden, wat gezwegen moet worden; dat zij in alles eene zekere naaktheid vertoont, en veel, hetgeen vroeger verborgen was, alsdan te voorschijn komt. Zoo ik mij niet bedrieg, zien wij Bilderdijk in zijne laatste dichtwerken meer als de grijsaart zich ontwikkelen. Hij staat niet meer in die éénheid, waardoor hij, in de rijpheid van den mannelijken leeftijd, stukken gelijk de Voorwereld, de Ziekte der Geleerden, of de Geestenwareld, in hun geheel kon denken of omvatten, maar alles is meer ontleed, meer individueel; de eigenschappen, minder in overeenstemming, zijn meer van elkander gescheiden, en hij vertoont zich nu en dan verhevener, maar ook wel eens zwakker, of nog meer door den indruk van het oogenblik weggesleept.»

En geheel naar zijn eigen karakter sluit De Clercq met deze woorden: «De lof van tijdgenooten is kort van duur; de toejuiching van het nageslacht onzeker; de lauwerkrans van den dichter verwelkt: maar wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.»

Het werk van deze twee pioniers voor Bilderdijk, den sterke en den zachte, zou voortgezet worden. Een derde zou Bilderdijk's roem als vertaler handhaven.

Sluiten