Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij prijst Bilderdijk's lyriek, o. m. de Ode aan Napoleon: die meer nog eene eerzuil voor Bilderdijk zelf dan voor den revolutiedwingenden en ten slotte vredebrengenden, veroverenden Keizer bedoelt; ook Bilderdijk's zuiver beschrijvende poëzie: dat hij daarbij eiken toon kon aanslaan, ziet men b.v. in zijne schildering van den dorpsschoolmeester uit zijn tijd in Het Buitenleven. Of wilt ge hem andere tooneelen zien malen, beschouwt dan het landelijk tafereel, dat weinige bladzijden verder voorkomt, en dat hij met «Ostade's rijk penceel» trachtte te schilderen. (Hier hebt ge een praatpartij van drinkende oude liên). Jonckbloet prijst De Ziekte der Geleerden, de diepgevoelde voorafspraak van Leydens ramp (terecht), en het vers Acht Maart in Londen, 1796, waarin, naar Kollewijn, zoowel Bilderdijk's deugden als zijn gebreken duidelijk uitkomen.

Verkeerd oordeelt Jonckbloet over Bilderdijk's epos. Hij heeft groot ontzag voor dit werk, maar maakt beperkingen: <Ik wil niet vragen, of die «wareldmengeling van door één zwevende wezens van geheel verschillenden aart» wel geschikt is ons, voor wie toch het zuiver menschelijke alleen bevattelijk en aantrekkelijk blijft, op den duur te boeien.» Hier blijkt Jonckbloet den waren aard van het heldendicht niet te kennen, dat juist gaarne veel ruimte laat aan het bovenzinnelijk element. «Maar wat vooral den indruk schaadt, vervolgt Jonckbloet, 't is zijne machteloosheid om objectief zijne handelende personen te scheppen, die zich hier evenzeer openbaart als in zijne treurspelen.» Dit is een oppervlakkige kritiek, die bestaat in het napraten van Bilderdijk's bedillers. De heldendichter Bilderdijk is weer anders dan de treurspeldichter. Da Costa toonde reeds duidelijk de verscheidenheid van die karakters Argostan, Segol, Regol, Zilfa, Elpine (de fijnst bewerktuigde) en ook in die der geesten en duivels. Wij betreuren het, dat ook dr. Bijvanck zich tot dezelfde aanmerking liet verleiden in zijn anders zoo zeer te prijzen boek: De Jeugd van Isaac da Costa, waarin de suggestieve persoonlijkheid van Bilderdijk met veel meesterschap wordt beschreven. Zoo ook dr. Doorenbos, die als voorbeelden der romancen en balladen weder de Urzijn en de Assenede noemt!

Wij houden het dezen keer met Hofdijk, die inzonderheid uitweidde over De Ondergang der eerste Wareld: Wat niet meer mogelijk scheen, nadat de dichterlijke fantasie, de eeuwen door, alle ruimten en elementen van 't heelal had bevolkt en vervuld met schepselen van allerlei soort, aard, en vorm, deed Bilderdijk: zonder der verbeelding eenig geweld aan te doen, schiep hij geheel nieuwe wezens: Paradijs-menschen, zonen van Adam en Eva, vóór den val, geestelijker van samenstel dan de gewone mensch, en toch ook bedeeld met diens begeerten en hartstochten, die hen, bij toomelooze inwilliging, van bevoorrechten Gods tot slaven der

Sluiten