Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

materiaal verwerkt, overal komt het streven uit nauwkeurig te zijn en eerlijk. Geen hartstochten voor of tegen Bilderdijk bewegen den schrijver. Het is daarom een boek voor de studie van Bilderdijk onmisbaar. Ik haalde het reeds meermalen aan. Doch het boek heeft een groote schaduwzijde. Het is te nuchter. Te nuchter vooral waar het Bilderdijk's kunst behandelt. Kan het ook anders? Kollewijn's eerste woorden zijn: «Toen ik in het voorjaar van 1887 begon met de studie, die thans voltóóid vóór mij ligt, voelde ik mij niet zoozeer aangetrokken door den dichter Bilderdijk als wel door het raadselachtige van een persoonlijkheid enz.» Hoe is het echter mogelijk vragen wij, dat men zulk een uitgebreid werk schrijft over Bilderdijk, waarin men meermalen hulde brengt aan zijn dichterschap, zonder werkelijk dit dichter zijn op den voorgrond te plaatsen? Alsof het iets bijkomstigs was? Het is alsof Kollewijn zich soms een weinig schaamt Bilderdijk's verzen mooi te vinden; hij was niet in de mode. Kollewijn wil niet over kunst twisten: «de vatbaarheden om sommige schoonheden te genieten, schijnt meestal, zoo niet altijd, gepaard te gaan met ongevoeligheid voor enkele andere soorten van schoon!» Zoo ergens, dan is deze uitspraak in het harrewarrend Nederland bewaarheid. Ik zou daarom willen uitroepen: waarom dan langer teruggehoudenheid? Waarom uw held verzaakt door te ver gedreven voorzichtigheid? Hij is mijn held niet, zou Kollewijn hierop antwoorden. Kollewijn tracht een brug te slaan tusschen vriend en vijand, en geeft liefst beide partijen gelijk, hij zegt tegen de verguizers van Bilderdijk: gij zijt niet dom geweest, en tracht ze daarmee over de brug te lokken. Ik had hem toegejuicht, indien hij met een flinken ruk die onbevoegde oordeelvellingen van zich af had geduwd. Aanmerkingen op Bilderdijk's poëzie, zooveel als ge wilt, als ze maar raak zijn, doch ook den adel van zijn dichtgenie in volheid erkend.

Ziehier nu, wat Kollewijn schrijft (II, 468): Bilderdijk verstond bij uitnemendheid de kunst van rhetorisch-deftig te zijn, zonder tot holle klanken zijn toevlucht te nemen. Dat die kunst ijskoud laat, hoeft niet betoogd. Een enkel proefje:

Men roem den Held mij niet, die onder 't schutgevaarte, (Den bergrotsklomp gelijk, die pal staat door zijn zwaaite)

Door 't moedig hart gesteund, in 't midden van 't verderf Den dood in 't aanzicht schouwt met onverschoten verf.

Hij staat, hij strijdt, beveelt, voorziet met kalme zinnen,

Wat de Oorlogskans beslist, tn doelt op 't overwinnen,

Zijn boezem vlamt op de eer; de glorie is zijn roof,

Haar schittring maakt hem blind, en voor den donder doof.

Sluiten