Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven te verplaatsen, zoo men althans meent, dat hij het bezat. Het verdient goedkeuring, dat de schrijver gepoogd heeft de grootere innigheid van Bilderdijk's godsdienstig gevoel sedert het jaar 1816 met 's dichters levenservaring in verband te brengen. Maar waarom wordt voor dit verband, gelijk het door Kollewijn werd opgevat, geenerlei verklaring van den dichter zelf aangevoerd ?

Pierson is niet ingenomen met het uitweiden over Bilderdijk's zenuwziekzijn. Wat ziekte is dit, waarvan ik tot geen prijs zou willen genezen? Een beroep op nevrose, thans zoo veelvuldig, heeft geen zin, tenzij men bereid is de geheele psychologie in de leer der zenuwen te doen opgaan, want waar is de grens tusschen beide, en met welk recht zal men een vonk van het genie onderkennen van den elektrischen vonk waaraan een zenuwdraad tot geleider verstrekt ? Er is nu een hinken op twee gedachten, dat het verklaren van .groote geesten slechts belemmeren kan, of liever een gedurig overspringen van het materialistische op het spiritualistische gebied en van dit weder op het eerste; een overspringen, dat den onderzoeker ongeduldig maakt. Ik schrijf de negende symfonie en, terwijl ik daarmede bezig ben, brengt een overbodige vraag van mijn huisknecht mij buiten mijzelf van drift. Terstond staat er een kriticus achter mij, die zijn kornuiten toefluistert: Ziet gij wel, dat hij een zenuwzieke is. Alsof het eene af te scheiden viel van het andere.

Daarop toont Pierson ten duidelijkste aan, dat Kollewijn Bilderdijk's ironie niet heeft begrepen, die soort ironie, die aan alle groote geesten eigen is.

De fouten in Kollewijn's boek zijn voor een deel het gevolg van het veel omvattende van zijn arbeid.

Kollewijn's hoofdstuk over Bilderdijk als dichter laat Pierson geheel en al onvoldaan. Wij spraken er reeds over en nadere uitlegging behoeft dit dus niet. Wel moeten wij Pierson's nuttige wenken mededeelen. «Waarom heeft dr. Kollewijn, ter waardeering van Bilderdijk's pogen en bedoelen als dichter, zich het genoegen ontzegd, partij te trekken van het bekende groote vers uit de Mengelingen, dat De Poëzij tot onderwerp heeft?» Wij zouden dit echter willen uitbreiden. Bilderdijk heeft in een lange reeks gedichten en voorts in talrijke plaatsen van zijn proza, zijn gevoelens en meeningen over poëzie en kunst aan ons overgebracht. Hij is daarin de leeraar geweest van geheel ons volk. Het is daarom noodzakelijk al die uitingen met groote zorgvuldigheid te bestudeeren, en de vruchten dier studie aan het publiek te schenken.

Keeren wij terug tot Pierson: Waarom heeft hij dat vers niet ontleed, of, wat nog beter was geweest, vertaald? Want Bilderdijk moet even

Sluiten