Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vondel bij uitnemendheid de zanger is van den hemel, Bilderdijk van de hel. Ik plaats om het verschil der uitersten te doen ontwaren, Vondels:

Wij zweefden zacht en stil den blanken Melkweg neer tegenover Bilderdijks:

Als grendels rood verroest en in hun ring verwrikt.

Het Paradijs beschreven zij beiden, en wel beiden met meesterhand. De beschrijving van Vondel is idyllischer en betooverend schoon, die van Bilderdijk wedijvert met de zijne en is meer verheven.

Terecht laakt Van Hoogstraten het dat Kollewijn slechts kroniekmatig wat van Bilderdijk's epos zegt, ofschoon hij de schoonheid ervan beseft en erkent.

Ook had Kollewijn hier, zegt Van Hoogstraten overvloedige stof voor een veelzijdige zielkundige studie. Een dichter, die op zijn grootere kunstuitingen een zoo persoonlijken stempel drukt als Bilderdijk, wordt beter gekend, wanneer men hem in krachtige epische poëzie vorm en gestalte ziet geven aan zijn lievelingsdenkbeelden dan wanneer hij in sombere oogenblikken weeklaagt over de rampen en ellenden der aarde.

Gezwegen van het overige, dat Kollewijn had moeten beschouwen. Bilderdijk heeft in zijn epos een geheel andere versifikatie dan in zijn leerdichten. Ook een geheel andere taalkracht. Een nog grootscher maatklank in het schilderen. Een eigenaardige, soms Vergiliaansche statelijkheid in de beelden zijner vergelijkingen.

Ja. wil men gelooven, dat Kollewijn in zijn geheele boek, van duizend bladzijden maar 7 regels laat zien van Bilderdijk's meesterwerk?

Bilderdijk, zegt Van Hoogstraten, heeft Segol met alles begiftigd wat op ieder gebied het hoogste mag heeten. Deze held munt uit en triomfeert door krijgsmoed, krijgskunst en krijgsgeluk. Zijn geest en zijn hart betwisten eikair den voorrang; beiden streven naar het edelste. Zijn koningschap is een heerschappij, zooals Bilderdijk ze wenscht in een vorst, die, tot heerschen geboren, tevens groot genoeg blijkt om zich een vader te toonen van zijn volk. Voor 't overige leeft Bilderdijk zelf in Segol; Bilderdijk met zijn onstuimigheid, zijn dreigenden toorn, zijn hooghartige ridderlijkheid, zijn fiere weldadigheid en zijn koninklijke idealen.

Ook iets van Argostan, naar mijn idee, leeft in Bilderdijk, iets van diens somberheid en norsche in zichzelf-gekeerdheid, waaruit Bilderdijk zichzelf schooner ontwikkelt tot Segol. Om er een uitdruk aan te geven: Argostan is de onderstroom, Segol de bovenstroom van Bilderdijk's heldendichterlijk wezen. Teekende Da Costa zelf niet Bilderdijk's uiterlijk naar Argostan? «De sprekende trekken van Bilderdijk's gelaat, het karakteristieke van zijne hand, het zielvolle van zijn oog, dat vonkte Den

Sluiten