Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En door mij te volgen, zonder oorspronkelijk te denken, liet hij zich hier op een dwaalspoor leiden. Immers, dit «ziedend-omhoog hijgen» is alleen waar te nemen in die beide eerste strofen, die ik destijds alleen aanhaalde. De dichter, dan omhoog gestegen zijnde, vaart in de volgende strofen kalm en majestueus voort. Ik liet dit ter voorkoming van misverstand thans zien (blz. 36).

Scharten heeft zelfs de aanteekeningen van mijn bloemlezing benut. Bij Floris IV schreef ik: «De vele herhalingen in dit vers zijn ontstaan door de hevige ontroeringen van den ziener.» Scharten nu haalt juist het fragment aan, waar de meeste en kortst op elkaar volgende herhalingen in voorkomen, n.1. de strofen die alle beginnen: «Zij zag >

De uitgave van Da Costa is niet chronologisch. Ik koos voor mijn bloemlezing uit de verschillende rubrieken de voor mijn doel honderd belangrijkste gedichten of fragmenten uit, zonder op het soort (alleen de groote genres meest vermijdend) of de datum te letten. Daarop rangschikte ik ze chronologisch en kwam tot de wonderbare ontdekking, dat wel verre, als zou Bilderdijk in zijn ouderdom een versuffende grijsaard geworden zijn, gelijk Kollewijn beweerde, zijn lyriek (en Bilderdijk wilde bij uitstek lyricus zijn) in schoonheid en gloed krachtig toeneemt, zoodat bijkans de helft van mijn bundel dateert uit de tien jaren 1820—1829, en daarin vooral schitterend op den voorgrond treedt het jaar 1827, ik controleerde dit nog eens in de verzamelde dichtwerken. Da Costa's uitgave belet het zien van Bilderdijk's groei als dichter. In het prachtige en nimmer genoemd gedicht: «Aan den Nachtegaal» eindigt Bilderdijk met de stoute regels:

De steile rotsstroom ploft niet neder,

Of steigert naar zijn oorsprong weder,

En schept een heldren regenboog.

hetgeen doet denken tegelijk aan The Cloud en aan Iris, en simbool is van Bilderdijk's lyriek op het eind van zijn leven; die regenboog overstraalt dat leven heerlijk. Ik teekende hierbij aan: «Wel mocht Bilderdijk het zeggen in dit voor zijn dichtkunst zoo schitterend jaar. De hoogste ouderdom bracht den hoogsten bloei zijner lyriek.»

Scharten neemt over: «I)e schoonste gedichten, waarmee ik, in mijn derde paragraaf, mijn bladzijden versieren ga, dateeren van het jaar 1827; Bilderdijk was toen 71 jaar oud.»

Scharten schijnt echter zijn artikel niet zoover voortgezet te hebben, als aanvankelijk zijn plan was, dezen indruk maakt zijn opstel.

Zulke feiten, als ik hierboven beknopt aanwijs, heb ik wel meer op-

Sluiten