Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. V r ij w i 11 i g e korpsen.

Omtrent de voorwaarden, waaraan vrijwillige korpsen moeten voldoen, het volgende:

Baron Jomini, Voorzitter van de Brusselsche Conferentie van 1874, heeft in de zitting van 17 Augustus o.a. verklaard: „dat het geconstateerd is, dat deze beginselen •) in volmaakte overeenstemming zijn met de gevolgtrekkingen der wetenschap van het volkenrecht, gegrond op de ondervinding der laatste oorlogen, zooals die door den Secretaris-Generaal van het „Institnt de droit International" zijn uiteengezet en in het protocol opgenomen als een theoretische bevestiging van de practische voorstellen van het Russische voorstel; dat zij volkomen overeenkomen met de militaire eischen van den tijd. uiteengezet door den Duitschen afgevaardigde, en dat zij het gevoelen uitdrukken van de meerderheid der diplomatieke leden der Commissie Zij heeft er de juistheid van aangenomen en erkend dat het hoogst wenschelijk ware dat de Regeeringen—zonder in iets de vaderlandslievende opwelling, welke alle achting verdient, te hinderen, te bemoeilijken of te verzwakken — op middelen moeten bedacht zijn om zoodanige gevaarlijke gevolgen te voorkomen en de verschrikkingen van den oorlog te verminderen door die meer regelmatig te doen voeren."

Het bedoelde stuk van den toenmaligen Secretaris-Generaal van het Iystituut, den heer Rolin-Jacquemyns 2) luidt: „Het is te wenschen dat de vrije volken voortaan genoegzame standvastigheid en voorzorg zullen bezitten om zich eene sterke militaire organisatie te geven, gegrond op de gelijke lijke deelneming van alle aan de verdediging van het vaderland. i)it is _ voor hen niet alleen een nationale, maar een humanitaire plicht, want hoe meer de oorlog aan weerszijden door geregelde troepen gevoerd zal worden, hoe minder de menschheid zal hebben te lijden. Zonder eenigen twijfel is er elders dan onder de uniform plaats voor de edelste gevoelens en het heldhaftigste gedrag, en men moet aannemen, dat onder die ongelukkige boeren, die krachtens de oorlogswetten zijn gefusilleerd, meer dan één, geen andere schuld had dan die van te hebben voldaan aan een instinctmatig en bijna onweerstaanbaar gevoel van locale vaderlandsliefde. Maar van de andere zijde moet men aannemen dat de aard van den weerstand — trouwens per slot weinig afdoend, — door hen aan den inval der vreemden geboden, onvermijdelijk van de eene zijde tot bandietenwerk (banditisme) met zijn ergste buitensporigheden, van den anderen kant tot een gestrenge onderdrukking moest leiden. Wij gelooven met Dr. Arnold: „dat het de

1) Dezelfde als van dit Art. I: Zie Act en de la Conférence de Bruxelles, off. uitgaaf, p. 146.

2 ) Actes, p. 129.

Sluiten