Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. Vrije aftocht der bezetting met militaire eer, vergunning om zich te begeven werwaarts zij verkiest, doch onder belofte van, gedurende den veldtocht of een bepaalden tijd, niet meer tegen den vijand te dienen. — Toegestaan bij de capitulatie van Mainz, 21 Sept. 1792.

d. De bezetting trekt met alle krijgseer uit, geeft hare wapenen over en stelt zich daarna krijgsgevangen; verricht dit echter eerst op een bepaalden dag en een bepaald uur. Zij behoudt zich liet recht voor om, wanneer zij vóór dien tijd ontzet of met genoegzame macht bijgestaan wordt, vrij met alle wapenen uit te trekken en zich bij het ontzettingsleger te voegen. Toegestaan bij de capitulatie van Ulm, 18 Oct. 1805, en bij die van Gorkum, 7—'20 Oct. 1813. Zulk een capitulatie wordt genoemd: op gebeurlijke voorwaarden (a conelusion éventmlle). De tenuitvoerlegging wordt daarbij afhankelijk gesteld van eene bepaalde gebeurtenis, binnen een gestelden termijn.

e. De bezetting trekt met krijgseer uit, legt daarna de wapenen op het glacis af' en stelt zich krijgsgevangen. Zij zal zich echter naar haar vaderland kunnen begeven en de wapenen terugontvangen, wanneer aan zekere gestelde voorwaarden wordt voldaan. — Toegestaan bij de capitulatie van de citadel van Antwerpen-23 Dec. 1832.

ƒ. Overgaaf der vesting met archieven, oorlogsmaterieel, voorraad enz., onder uitdrukkelijk beding, dat zij met dit alles, bij het sluiten van den vrede, weder aan den Staat, waartoe zij behoort, worde teruggegeven.—Toegestaan bij de capitulatie van Verdun, 8 Nov. 1870.

2. Eer der wapenen.

Het behouden van de krijgseer hangt niet zoozeer af van de voorwaarden der capitulatie, als van de omstandigheden, waaronder zij is gesloten De commandant van Mainz, die, na de eerste opeiscliing, vrijen aftocht met krijgseer verkreeg, verbeurde zijn eer en werd door den krijgsraad veroordeeld: terwijl de commandant van Pfalsburg, die zich in 1870, na dapperen weerstand, op genade of ongenade overgaf, van den raad van enquête den hoogsten lof oogstte en door den President der Fransche Republiek met het commandeurskruis van het Legioen van eer werd begiftigd.

Vorst van Hohenlohe werd bij Prenzlau door den Groothertog van Berg gevleid en zijn roem verheven; toch gevoelde hij zelf het vernederende van zijne handeling, en antwoordde hij terecht: „Die roem eindigt met dezen dag." Ook wanneer het uiterste voor de eer der wapenen is gedaan, blijft eene capitulatie voor hen, die er toe genoodzaakt zijn, uiterst smartelijk, en het is van den bevelhebber, die er toe overgaat, een plicht, al het mogelijke te doen om die daad zoomin

Sluiten