Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat leger mededeelt '), of wanneer iemand berichten, tijdingen of geruchten verzindt of verspreidt, strekkende om de militairen te ontmoedigen, te misleiden of te verleiden 2), of wel wanneer een gids den troep met voordacht misleidt 3).

Het wordt door eene militaire rechtbank onderzocht en volgens het oorlogsrecht zwaar, dikwerf met den dood gestraft 4).

Voor krijgsverraad als voor spionneering geldt de regel, dat de straf het misdrijf op den voet moet volgen 5).

Op dien regel is geen uitzondering.

Wanneer het iemand, die zicb aan krijgsverraad schuldig heeft gemaakt, gelukt het leger te bereiken, waartoe hij behoort of dat zijn vaderland dient, mag hij, wanneer men hem later weder gevangen neemt, voor die vroegere daad van spionneering of krijgsverraad niet worden gestraft, doch kan hij, als bijzonder gevaarlijk, opgesloten en aan eene strenge bewaking onderworpen worden6).

13. Oorlogsrebellen. Oorlogsrebellie wordt gepleegd, wanneer de bewoners eener landstreek zich gewapend verzetten tegen de legermacht, welke deze landstreek bezet heeft, of tegen het bestuur, dat tijdelijk daar is gevestigd, of wanneer zij op eenigerlei wijze den occupator daadwerkelijk benadeelen.

Gewapend verzet tegen rechtmatig gezag is rebellie. Hier wordt het woord in zijn oorspronkelijke beteekenis van oorlog hernieuwen (qui rebellat) gebezigd. Daar de vijand in eene bezette landstreek wettig gezag uitoefent, is opstand tegen hem, in oorlogstijd gepleegd, oorlogsrebellie, en wordt, als eene schending van het oorlogsrecht, als een misdaad gestraft7).

Tot oorlogsrebellie wordt gebracht:

a. Gewapende opstand van de bevolking eener stad of van eene landstreek, welke door den vijand is bezet, het gevangennemen van vijandelijke militairen of het helpen er aan;

b. Het oplichten van koeriers;

1) Dahn, S. 18. — Bluntschli, $ 631.

2) Crimineel Wetboek, art. 65.

3) Bluntschli ? 636.

4) Dahn, S. 18. — Amerikaansche krijgsartikelen, art. 91.

ö) Dahn, S. 19.

6) Bluntschli, ? 633.

7) Rolin-Jaequemyns, Second essai, p. 29.

Sluiten