Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i. V r e d e s - o 11 d e r h a 11 d e 1 i n g e 11.

Wanneer tot onderhandelingen omtrent het sluiten van vrede wordt overgegaan is het een vereischte, dat onze onderhandelaars niet alleen de taal des lands volkomen machtig zijn en den adat goed kennen, maar dat zij ook vooral op waardige wijze optreden, daarbij alle bij dat volk als zoodanig gewilde hoofdsche beleefdheidsvormen in acht nemende. Tegenover Inlandsche vorsten en grooten kunnen die vormen niet genoeg in het oog worden gehouden.

Wanneer een Inlandsche bevolking vrede wenscht, toont zij dit veelal door eenig teeken of symbool, meestal door aanbieding van een klein geschenk, tanda geheeten. Gaat men er op in dan is het noodzakelijk eenig tegengeschenk te geven.

Toen do civiel-gezaghebber van Sigli in 1887 onderhandelingen aanknoopte met den vijandiggezinden Teankoe Maharadja Beuntara Pinang, gaf hij, met het oog op dit gebruik, diens zendeling zijn sabel mede als tanda of bewijs van zijne oprechte bedoeling, waarop hij twee dagen later Beuntara Pinang's eigen klewang met een zeer beleefd schrijven ontving.

Een Muzelman gaat gemeenlijk niet tot vrede met een ongeloovige over dan wanneer hij door dezen zóó gevoelig* geslagen is en zich zijn minderheid duchtig bewust is geworden, dat hij in het noodlot, volgens zijn geweten, kan en mag berusten.

Sluiten