Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luxemburg, wegens de handelingen van het Fransche Consulaat, De Luxemburgsche regeering verwierp echter deze klacht als ongegrond, vermits, volgens haar de werkzaamheid van den Fransclien Consul zich had bepaald tot het verleenen van ondersteuning aan hulpbehoevende Franschen, die naar een ander neutraal land, België, reisden.

Eene Regeering kan echter niet verder, dan hare macht reikt, instaan voor handelingen van bijzondere personen. Toch hebben bij het uitbreken van den oorlog vaii 1870—71 verscheidene Regeeringen de bevolkingen verboden in militairen dienst bij eene der oorlogvoerende partijen te treden: Denemarken, bij aankondiging van 27 Juli 1870, in het officieel blad; Rusland'bij Keizerlijk besluit van 3 Aug. 1870; Amerika bij neutraliteits-proclamatie van den President. Op het zonder vergunning der Regeering in militairen dienst treden bij eene vreemde Mogendheid wordt in vele Staten bij de wet eene straf gesteld; in Nederland wel geen straf, doch, om den Staat voor moeilijkheden te vrijwaren, het verlies van den staat van Nederlander (art. 10 der wet van 29 Juli 1858, Staatsblad N°. 44), waardoor hij, geen Nederlander meer zijnde, de neutraliteit van Nederland niet in gevaar kan brengen.

Ofschoon de bevolking van een neutralen Staat het recht heeft voor een der oorlogvoerende partijen medegevoel te uiten, behoort dit binnen grenzen te geschieden, en handelt de regeering van zoodanigen Staat verstandig scherpe veroordeelingen of beleedigingen van een der strijdende partijen zoo mogelijk te keeren.

Enkele op zich zelf staande feiten, artikelen in couranten of tijdschriften, teekeningen, het uitsteken van vlaggen, openbare uitingen van bijzondere personen en dergelijken, mits zij geen beleedigend karakter hebben en dus niet vallen onder de artikelen 117, 118 en 119 Wetb. van Strafr., of zoo zij er onder vallen, bij klachte van bevoegde zijde, vervolgd en bestraft zijn, kunnen geen gegronde reden van reclame tegen de neutrale houding van een Staat opleveren.

In tijd van oorlog zijn echter de oorlogvoerende volkeren uiterst gevoelig, de zenuwen ook bij andere volken, die den strijd met belangstelling volgen, gespannen, de gemoederen bij allen prikkelbaar. Daar komt bij dat de meeste menschen op volkenrechtelijk gebied vreemd zijn, niet weten wat wel en wat niet, volgens de geldende begrippen, mag geschieden,

Sluiten