Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschieden. Het kan echter plaats hebben. Die deze voorwaarde van verblijf niet wil aannemen vertrekke.

Op voorstel van de Nederlandsche Delegatie is de 2de alinea er bijgevoegd. Het Haagsch Reglement van 1899 had onbeslist gelaten wat met de daarbij bedoelde personen moet geschieden. De vrijheid hergeven is het eenige rationeele. Hun krijgs • gevangenschap is slechts gegrond op de feitelijke macht welke de oorlogvoerende op hen had. Die feitelijke macht houdt op op 't zelfde oogenblik dat de oorlogvoerende, wegens gemis aan voldoende macht, zelf uitwijkt, om elders een toevlucht te zoeken tegen overmacht. Bij het betreden van den onzijdigen grond houdt dus het recht op om krijgsgevangenen te houden en zijn deze derhalve rechtens vrij.

Men heeft strijd gezien tusschen deze bepaling en die der '2de alinea van Art. 59 van het Haagsch Reglement van 1899. Ten onrechte. Daar geldt het gewonden of zieken van de tegenpartij eens oorlogvoerenden, die deze uit eenig menschlievend oogpunt, op onzijdig gebied brengt, zelve vrij zijnde in hare beweging. Die handeling moet echter later niet tot haar nadeel keeren. Vandaar dat deze zieken en gewonden door den onzijdigen Staat zoodanig moeten worden bewaakt, dat zij niet meer aan den oorlog kunnen deelnemen.

Art. 11.

Het feit dat een onzijdige Staat, zslfs door geweld, de aanslagen op zijne onzijdigheid heeft afgeweerd, kan niet als eene daad van vijandelijkheid worden aangemerkt.

Ook met het oog op de moeilijkheid, waarin Nederland zou kunnen geraken, wanneer het ongeluk mocht willen dat het tot de wapenen de toevlucht zou moeten nemen om zijne onzijdigheid te beschermen, is dit door S. den 19en Juli 1907 in de zitting van de lste subcommissie der 2e commissie van de Tweede Vredesconferentie voorgesteld.

De Gedelegeerde van België, Mr. van den Heuvel, achtte dat het vanzelf sprak, dat de onzijdige Staat, die rechten en plichten te vervullen had, daartoe ook de middelen zou kunnen aanwenden. Kolonel Borel (Zwitserland) bracht in het middon dat de Staat wiens onzijdigheid werd geschonden, het recht had die schending als een casus belli te beschouwen. De Conferentie schaarde zich ten slotte aan de zijde van S. om, zonder dat recht te betwisten, ook den neutralen Staat recht te laten wedervaren, om hem, als hij de schending — soms onwillekeurig begaan — bestrijdt, dien te gevolge, tegen zijn wil, niet in den oorlog te doen sleepen. ')

1) Rapport van Kolonel Borel aan de Conferentie, aangenomen in de volle zitting van 7 September 1907.

Sluiten