Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

partijzucht benevelde lieden goedvinden, zich eeno hersenschimmige zamenspanning in te beelden, zoo dachten anderen, de verbitterde woordvoerders der Hierarchie, aan eene „Coalitie Vreede—Groen— can Dam (van Isselt)", wier gemeen overleg de invoering van hetgeen de Geestelijkheid zoo vurig begeerde, zocht te dwarsboomen. Het verwijt van oone kleingeestige onedele onverdraagzaamheid woerde ik in dezer voege af: „De kleinzoon van Pieter Vreede, van den man die meer dan iemand do emancipatie der R. Katholieken van Noord-Brabant in 1795 heeft bevorderd en tot stand gebracht, is zich bewust, nooit eenige onverdraagzaamheid in het kerkelijke gevoed te hebbon; hij, die te midden van eene R. K. bevolking is opgevoed, die niet weinige R. K. vrienden en nabestaanden telt, deelt waarlijk niet eene denkwijze, welke de verbittering van de Tijd gaande maakt; — maar de Tijd zoeke den grond der bestrijding van de Pauselijke aanmatiging hier te lande, enkel en alleen in de zucht om do rechten van den Staat, door eeno bijkans verraderlijke nalatigheid — aan het overmoedig ultramontanisme prijsgegeven, als getrouwe burger met klem en nadruk te verdedigen"1). Ziedaar wat letterlijk in die opgewondenheid van 1853 werd geschreven, in 1869 onveranderd herdrukt, en waarvan ik tittel noch jota in dit uur terugneem. Toen spraken de clericalen den banvloek over mij uit, zoowel als Thorbeckiaansche, napoleontische en Pruissische afgodendienaren vóór en na hebben gedaan. Zóó werd toen eene coalitie ontzenuwd, die men nu een „monsterverbond" noemt aangegaan tusschen wie en tot welk doel ? Geen der „belangstellende lezers zal het kunnen aanwijzen. j\Ten tracht mijn gewoten te verontrusten. Ik zal ten antwoord geven, dat nooit een enkele regel mij anders dan door den onweerstaanbaren drang van het geweten, dan door het plichtbesef van den Staatsburger is ontvloeid; dat ik telkens en dikwerf niet dan na een moeijelijken strijd, met terzijdestelling van alle persoonlijke bezwaren, niet zelden van rechtstreeksche of zijdelingsche bedreigingen, alleen de pen heb opgevat, omdat ik de taal van mijne

') Utrechtsche Ct. 10 Mei 1853. Een twintigjarige strijd, bl. 136 volg.

Sluiten