Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is gebleven, niet wel kan worden beweerd, dat onze Regering en Vertegenwoordiging beide het Tractaat na rij/> beraad zouden hebben goedgekeurd ').

Wat meer bepaald don Minister van Buitenlandsche Zaken aangaat, die toch het precedent van Luxemburg in 1841 niet heeft vergeten, en die persoonlijk in al de wendingen van het Tractaat over de Limburgsche Maasaftappingen betrokken is geweest, die ervaren en wetenschappelijke Staatsman is van de meer en meer in zwang geraakte en erkende beginselen van nietratificatie der verdragen bij zeer veranderde omstandigheden, klaarblijkelijk niet onkundig gebleven. — Dubbel is het daarom te bejammeren dat juist hier, waar het een Tractaat van afstand van grondgebied met eene aan Nederland sinds eeuwen verknochte bevolking betrof, den onderhandelaar het edel gedrag van een voormaligen Minister van Buitenlandsche Zaken, van den echten Hollander Mr. W. F. Roëll, niet voor den geest heeft gestaan, die trots eiken aandrang van Koning Lodewijk en door de bedreigingen van Napoleon zelf niet afgeschrikt, in 1810 zijne onderteekening aan het verdrag van den afstand van Noord-Brabant en Zeeland en van Maas en Waal onwankelbaar weigerde *).

UTRECHT, 14 Februarij 1872.

STAAN WIJ WAARLIJK OP ZOO GOEDEN VOET MET HET BUITENLAND?

De beide Kamers der Staten-Generaal hebben, naar het schijnt, niet het minste bezwaar gevonden, de zinsnede te herhalen en te beamen, waarin de Ministers den Koning hebben doen ver-

') „Both have deliberately approved the transaction."

2) „Daar ik mij ongehouden rekende, om in eene gewetenszaak (want uit dat oogpunt beschouwde ik dezelve) den last van aardsch gezag, wanneer dezelve tegen mijne denkbeelden, inliep, op te volgen, voldeed ik niet aan 's Konings bevel", enz. Verslag van hetgeen ter gelegenheid vanhet verblijf des Konings van Holland te Parijs is voorgevallen. Amsterdam 1837, bl. 175.

Sluiten