Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit het Duitscho Kijk in ons midden, die steeds jegens Nederland welwillend moet gestemd geweest zijn, werd als verzoenend element in de verhouding tot Pruissen, door aanzienlijke en wél onderrigte mannen in de Residentie gewaardeerd. — En wat dan, nu die Gezant met zulk lang verlof vertrekt, dat hij tijdelijk door een Poolschen Prins maar diplomatisch van minderen rang, wordt vervangen'? De zamenkomst der Keizers, door de in Duitschland zelf opzienbarende aftreding van den Minister van Buitenlandsche Zaken v. Thile opgevolgd, gelijktijdig met het evenzeer bevreemdend ontslag van een hoog ambtenaar bij het Departement van Finantiën te Berlijn, kon — meende ik — al verder stof tot nadenking geven. De Arnhctnsclw Ct. werpt mij tegen, dat de Kölnische Zeitutig volstrekt geen orgaan der Regering is; maar het is immers dikwijls en overvloedig gebleken, hoe de politiek van den heer v. Bismarck in dat veel vermogend blad een zeer gedienstigen tolk bezit, en lazen wij niet juist gister of eergisteren, dat (waarschijnlijk om de banden nog naauwer toe te halen), de hoofd-Redacteur van Keulen naar de Hoofdstad verhuisd is? Het kan den Arnhemmer geen ernst zijn, de Nederlandsche vrijheid van drukpers en de onafhankelijkheid van onze bladen, met den toestand der onderdanige Duitsche pers te vergelijken. Men vraagt mij, waarom ik mijne vrienden in de Vertegenwoordiging niet liever in den arm heb genomen, om de verlangde inlichtingen te bekomen? Ik zal ronduit verklaren, dat die vrienden in den loop der laatste twintig jaren mij niet zelden, bepaaldelijk op het gebied van Buitenlandsche Zaken, door hun stilzitten en lijdelijk aanzien hebben teleurgesteld; het had meermalen den schijn, alsof gewezen en aanstaande Ministers wat al te schroomvallig, zich op dat glibberig pad liefst niet waagden. Daarom heb ik als eenvoudig burgerman zelf nu en dan mijne stem verheven.

En hier zal ik het Arnhemsch blad een stellig antwoord geven. „Heeft ooit het Fransche Gouvernement verlangd, dat de Nederlandsche autoriteiten aan het Utrechtsch Dagblad of met name aan den hoogleeraar Vreede gelasten zouden, zich wat te matigen in zijne artikelen tegen het Keizerrijk?" — Wat mij in de eerste

9

Sluiten