Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te verkondigen, met hoeveel geschut onze sterkten gewapend worden, wat men al dan niet van zin is met luchtballons te doen, enz. En wat al die grootsche ontwerpen aangaat, die 's Lands verdediging tot één enkel punt schijnen te willen bepalen, heeft men zich wel afgevraagd, of men het regt zou hebben, wat er van onze vestingen, door Maurits en Frederik Hendrik veroverd, door Coehoorn aangelegd of uitgebreid, door Rabenhaupt en van Boetzelaer zoo heldhaftig verdedigd, nog overig bleef, eensklaps prijs te geven en ecne bevolking, die schot en lot betalende, tot hiertoe onder de bescherming dier vestingen veilig heeft geleefd, met al hare welvaart den vijand roekeloos in handen te spelen? Niet de Vtrechtsche linie, maar de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks, „de regten van alle des Konings onderdanen, en van elk hunner" heeft het Hoofd van den Staat gezworen te beschermen, te verdedigen en te bewaren (G.wet Art. 51). — Van hot winnen of verliezen van één enkelen slag, van het beleid of van een onbewaakt oogenblik van een of ander legerhoofd, Neêrlands vrijheid en toekomst afhankelijk te stellen, zou dit wijsheid en Regeerkunde, dan wel blinde dolzinnigheid verraden? Schertsend, maar naar waarheid, heeft een vernuftig Landgenoot ons den regel herinnerd: ■) „Elk heeft zijn' wijz' van vechten." Voet voor voet heeft Nederland zich tegen Spanje, tegen het geweld van Lodewijk XIV, van Dumouriez verdedigd, en stond men nu en dan veeg te lande, de moed der waterleeuwen en het vertrouwen op God, meer dikwijls dan wetenschappelijke krijgstaktiek schonken uitredding. Geen duimbreed gronds van de grenzen af, mag onbeschut worden gelaten. Dit is het beginsel in de Grondwet uitgedrukt, en van 1814 af door allerlei verordeningen op het stuk der vestingen gehandhaafd. Men vergete niet, hoe België in 1792 door de Franschen zoo ligt werd veroverd, omdat men onnadenkend de vestingen der Barrière had losgelaten. Oordeelen nu sommige Leden der Volksvertegenwoordiging of de minister zelf andere denkbeelden te moeten voorstaan, in ieder geval komt het minder

') Mr. Cornelius van Marle, Rijmelarij, Leiden 1814, bl. 72.

Sluiten