Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 1873. —

WIE IS VOOR DE OORLOGSVERKLARING AAN ATSJIEN VERANTWOORDELIJK?

Art. 44 der wet houdende vaststelling van het Reglement op het beleid der Regering van Nederl. Indië (2 September 1854), luidt als volgt: „De Gouverneur-Generaal verklaart oorlog aan en maakt vrede- en andere verdragen met Indische vorsten en volken, alles met inachtneming van de bevelen des Konings." De oefening van dit gewigtig en hoogst bedenkelijk regt kan derhalve niet plaats vinden; zonder dat vooraf de meening van het Hoofd van den Staat, van de Raadslieden der Kroon klaar en duidelijk, op de meest stellige wijze ingewonnen en verstaan zij. Geen Landvoogd, hoe gestreeld en bekoord door het uitzigt op roem en uitbreiding van gezag, zou zich tegen deze ondubbelzinnige bepaling, aan het gevaar van herroeping en ontzetting vermetel blootstellen, om niet van de heillooze gevolgen van eene onberaden en wederregtelijke onderneming te gewagen. De Regéringsreglementen van de tijden van Oldebarneveld af tot die van Koning Willem I ingesloten, ons door de vlijt van een regtsgeleerde, later zelf minister van Koloniën en GouverneurGeneraal, 25 jaar geleden medegedeeld, dragen allen den stempel van die omzigtige en vredelievende Staatkunde. Art. 45 der Ordonnancie en instructie van 22 Augustus 1617, den 3. November daaraanvolgende door Prins Maurits en de Sta tenGeneraal bekrachtigd, hield uitdrukkelijk in, dat de GouverneurGeneraal en Raden van Indië „in alle discretie en voorzigtigheid met alle Koningen, Prinsen, Republieken en Heeren zoodanige correspondentie, vriendschap en Alliantie zouden

Sluiten