Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP TWEE GEDACHTEN HINKEN.

Eene proeve van oud-Nederlandsche diplomatie.

Wii hebben de arglistige, verraderlijke Brusselsche conferentie bijgewoond: Gaan wij nu ook of gaan wij niet naar Petersburg ? — Na eerst door den Gezant van Lansberge, gedurende de handelingen het stilzwijgen te hebben doen opleggen, heeft de noodlottig vertraagde publiciteit dier handelingen misschien ten laatste het Haagsche Kabinet — hoewel door den bewerker van het kwaad, den Minister Gericke, nog altijd vertegenwoordigd — min of' meer de oogen geopend. Al moge de weigering , om verder tot het ondermijnen en verlammen der veerkracht van de kleinere Vrijstaten van het eigen Vaderland flaauwhartig of argeloos de hand te leenen, door deze of gene belanghebbende groote Mogendheid euvel worden geduid en als inconsequent voorgesteld, die bezinning te elfder ure zal niemand hier berispen, maar veeleer aan de Regering dank weten. De volharding integendeel, nadat het Britsche Kabinet de gevaren die de Vrijstaten uit de verdere deelneming aan de conferentie bedreigen, met den vinger heeft aangewezen, zou niet scherp en luide genoeg gelaakt kunnen worden door elk, die het Vaderland lief heeft. — Men noodigde dezer dagen den Graaf van Zuylen uit, nader te willen ontwikkelen, welke dan toch de beginselen van die hooggeroemde ond-Nederlandsche diplomatie waren. — Het standpunt van den oud-Minister voor of tegen Rome, is niet het mijne, Wij Nederlanders hebben m. i. noch met den kerkelijken strijd in Pruissen, noch met de Engelsche verhouding van Kerk en Staat iets te maken: in het voldongen feit der Grondswetsherziening van 1848, in de ten jare 1853 onvoorzigtig erkende Pauselijke Hierarchie, ligt ons tegenwoordig rigtsnoer, behoudens de voorzorgen tot handhaving van het regt der Protestantsche en andere Eerediensten, tot verzekering der vrijheid van geweten, door het voorgeslacht met stroomen bloeds betaald. In dien zin ook houd ik de uitsluiting van Theologische Faculteiten, niet voor eene

Sluiten