Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het lam tegenover den wolf. „Qui se fait brebis, le loup le mange" gelijk men in de Brieven van Johan de Witt leest (W. Nieupoort aan den Raadpensionaris, III. 6), „dat die sigh in een schaep verandert, van de wolven werf gegeten." De les der Fabel wordt in het tafereel van Dr. Legrclle geleidelijk als in een tafereel bevestigd. — Kleinere Staten behooren zich door eene eerlijke gehechtheid aan beginselen te kenmerken en noch ter regter- noch ter linkerzijde af te dwalen; uit eigen oogen te zien en zelfstandig te werk te gaan, zich niet op sleeptouw te laten nemen; vrij te blijven van Alliantiën met een bondgenoot, die van Beschermer alligt Opperheer wordt en u, om redenen van haat, inslokt. — „On peut bien s'avancer a dire," merkte reeds vóór Legrelle, de geschiedschrijver van Louvois, Camille Rousset, aan (Hist. de Louvois, III 33) „qu'il n'y avait pas un homme sensé en Europe qui ne s'attendit a la réunion (de aanhechting of inlijving) de Strasbourg. Elle avait jusqu'a la fin trahi la France au profit de 1'Allemagne, et toujours essayó de couvrir ou d'excuser sa trahison par mille protestations mensongères et indignes." Tweedragt van binnen en zwakheid naar buiten verleidden Lodewijk XIV, ongeduldig over eene dubbelhartige, meermalen geschonden neutraliteit, ten laatste den slag te slaan. Verg. Legrelle (p. 150), en hoe de rustige, bijna genoegelijke intogt der Fransche troepen in 1681 van het ons nog heugend ijzingwekkend beleg van 1870 hemelsbreed verschilde (p. 203. 250—252). Op meer dan ééne bladzijde wordt aan de waarheidsliefde en onpartijdigheid van Ranke hulde gedaan, maar daarentegen de eenzijdige en averegtsche voorstelling van Ad. Schmidt en van H. v. Sybel bestreden of met de stukken uit het Archief van Buitenlandsche Zaken en andere bronnen weerlegd. Legrelle zelf geeft rondborstig toe: „non, 1'action de Louis XIV n'était pas, au point de vue du droit des gens et de la justice absolue, une action correcte et que 1'honnête homme puisse déclarer a 1'abri de tout reproche" (p. 249). Doch met Ranke verlangt hij, dat niet de dusgenaamde groote Koning alleen of wel de Straatsburgers de schuld van het gebeurde bij uitsluiting dragen: vele Duitsche Vorsten en zelfs de Keurvorst van Brandenburg, voor

Sluiten