Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch die man mocht noch het moreele, noch het physieke lijden aanschouwen.

„Indien gij geld noodig hebt, dan kunt gij over mij beschikken," sprak hy eenvoudig.

Maar de ander werd na dit welgemeend aanbod nog driftiger.

„Ik kan het u geven!" hoonde hy. „Ik kan u geven het geld! Ik, de rijke heer op ,Nicolskoé' kan den armen Mitrofan Saweljewitsj wel een paar roebels geven van mijn overvloed. Neen! vadertje, zoo gaat iiet niet! Het is hetzelfde thema met eenige variaties, dat uit onze jonge jaren wederkeert, toen ik niet zoo vlug was met mijn schoolwerk als gij. Toen zeidet ge evenzoo: „Neen, afkijken niet, maar helpen wil ik je wel!" En toenmaals al, wilde ik niet. Thans ook spuw ik op de ellendige aalmoes, ik wil geen geld alleen. Michaël en ik wenschen uw dochter en het geld!"

„Dat zal niet gebeuren," viel Graaf Rostowzeff beslist uit, „Olga, Wadima verfoeit uw zoon!"

„Dat is hoegenaamd geen beletsel. Ge moet een middel vinden om haar te dwingen."

„Nooit!"

„Dat zullen wij dan eens zien," krijschte Mitrofan, geheel buiten zichzelf van woede.

„Nu zijt gij ryk en machtig, en handelt gij geheel volgens uw wenschen. Maar! Er zou wel eens een uur kunnen komen, dat het u berouwde de beide Sawadky's tot vyanden te hebben! Bedenk hetgeen gij doet!"

„Ik laat mij niet in mijn huis beleedigen."

Graaf Rostowzeff schelde, en beval de paarden te laten voorkomen van Mitrofan Saweljewitsj.

Deze stond nog steeds midden in het vertrek, geheel ontdaan en vol gramschap.

„Is het uw laatste woord?" vroeg hij ruw.

„Het allerlaatste. Mijn dochter wordt niet de vrouw van uw zoon."

„Wij zullen zien," sprak de ander, en verdween, om buiten op de komst zijner paarden te wachten.

Sluiten