Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art 39. Aan den onderwijzer, hoofd eener school, die, tengevolge van de opheffing der school, en aan den onderwijzer, die, wegens opheffing der school of wegens opheffing zijner betrekking, wordt ontslagen en niet in de termen valt pensioen te genieten, wordt ten laste van het Rijk een wachtgeld verleend tot een bedrag van de helft der jaarwedde, die hij op het tijdstip van zijn ontslag genoot. Dit wachtgeld vervalt, wanneer het hoofd of de onderwijzer in de termen komt om pensioen te genieten , of zooveel vroeger als hij tot eene betrekking van Rijks-, provincie- of gemeentewege wordt benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dit overtreft, of zoodanige betrekking, hem niet van Rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen , aanvaardt. Het wachtgeld wordt in geen geval langer uitgekeerd, dan gedurende vijf jaren nn den dag, waarop het ontslag ingaat, indien het hoofd of de onderwijzer op dien dag den leeftijd van 45 jaren nog niet heeft bereikt. Bij de aanvaarding eener betrekking, niet van Rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag dier bezoldiging.

Behalve in het laatstgenoemde geval rekent de tijd, gedurende welken het wachtgeld wordt genoten ,

wet bij de beiekening van een burgerlijk pensioen in aanmerking koinen.

De meerderheid der Commissie is van oordeel, dat het hier niet de plaats is, om op verbetering van het voorgestelde aan te dringen. Slechts zou de Commissie wenschen , dat voor onderwijzers in het algemeen. maar inzonderheid voor onderwijzeressen de gelegenheid bestond om op vroegeren leeftijd gepensionneerd te worden.

Art. 39 —42bis Men vergelijke onze aanteekening achter art. 38.

De Commissie is van oordeel dat. ingeval bij invoering van een nieuwe schoolwet vele betrekkingen van openbaar onderwijzer kwamen te vervallen, het noodig en wenscheliik zou zijn de wachtgelden langer te verleenen dan de gewone termijnen.

Ook zou ze wenschen, dat de bestaande bepaling van art. 39, 2' lid behouden bleef.

Verder is de commissie van oordeel dat een regeling moet vastgesteld worden ten aanzien van het uitbetalen der jaarwedden bij ziekte.

3*

Sluiten