Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage IY.

FINANCIEELE GEVOLGEN

van de ontworpen regeling van het lager onderwijs op de basis „Onderwüs-Rükszaak."

A. Uitgaven.

I. Onderwijzend personeel.

In het jaar 1901, waarover het laatst uitgekomen „Verslag van den Staat der Hooge, Middelbare en Lagere Scholen" loopt, bedroegen de jaarwedden van het onderwijzend personeel door de gemeenten uitbetaald, de som van ruim 12 millioen gulden.

Volgens de voorgestelde regeling zal het Rijk ook 75 pCt. van de salarissen der bijzondere onderwijzers betalen, wier aantal 6871 bedraagt tegen 14490 openbare onderwijzers, waardoor de kosten worden verhoogd met 4,3 millioen te zamen 161 millioen.

Door de verhooging der salarissen volgens art. 26 der „Proeve' zal deze totaalsom, naar raming stijgen met ruim 20 pCt. en dus komen op plm. 20 millioen.

Daar komt dan bij in den loop der volgende jaren de meerdere kosten door geleidelijke verkleining der klassen en door de organisatie en uitbreiding van het uitgebreid lager onderwijs, ook ten plattelande.

II. Vergoeding voor vrije woning en huur vcin schoolloccilen, benevens de bijdrage aan het bijzonder onderwijs voor schoolgebotnven en onder wij zerswon i ngen.

Thans wordt voor dezen post besteed f 200,000, welke som dan verhoogd wordt voor 1500 bijzondere scholen met 250.000 leerlingen, als volgt.

Als maatstaf nemen we een school met 4 klassen voor 125 leerlingen, kostende ƒ5500. De schoolruimte voor 250000 kinderen zal dan nieuw kosten 2000 X f 5500. De geschatte waarde (art. 54^w) za^ daarvan £ bedragen, waarvan dan 4 pCt. als bijdrage verleend wordt, dus 4 pCt. van f X 2000 X f 5500 = f 330.000.

Geschatte waarde der 1500 onderwijzerswoningen 15°° X 1500 X f 3000Hiervan 4 pCt. is 60 X ƒ 3000 = f 180.000.

De totale uitgaaf voor deze post zal dus bedragen: f 200.000 -(- f 330.000 -|ƒ 180.000 = / 710.000.

Sluiten