Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Lager Onderwijs in Oostenrijk.

Het Lager Onderwijs in Oostenrijk wordt beheerscht door de wet van 1869, zooals die op verschillende punten en soms niet onbelangrijk is gewijzigd door een wet van 1883.

Het lager onderwijs is er in de eerste plaats een zaak der gemeenten, doch ook districten kunnen hun medewerking verleenen en zoowel bijzondere personen als vereenigingen kunnen onder bepaalde voorwaarden lagere scholen oprichten.

Er zijn gewone lagere scholen en scholen voor uitgebreid lager onderwijs; de laatste heeten „burgerscholen."

Er moet een gewone lagere school opgericht worden overal, waar binnen een uur afstand, volgens het gemiddelde van de laatste 5 jaar, 40 kinderen wonen, die meer dan 4 kilometer zouden moeten afleggen, om een school te kunnen bezoeken. In elk schooldistrict moet een school voor uitgebreid lager onderwijs zijn.

Aan de lagere scholen kunnen voorbereidende klassen verbonden worden.

Het openbaar lager onderwijs is in een groot deel van het Rijk kosteloos, behalve voor leerlingen uit andere gemeenten.

In het onderhoud der openbare lagere scholen wordt voorzien door de gemeente, het district en het Rijk.

De vakken van het gewoon lager onderwijs zijn in hoofdzaak dezelfde als bij ons, maar daar komt voor alle openbare lagere scholen het godsdienstonderwijs bij. De omvang, waarin de vakken onderwezen worden, hangt af van het aantal klassen en onderwijzers, dat de school telt.

Op het platteland kan men scholen hebben, waarin alleen des voormiddags onderwezen wordt.

Tot 80 leerlingen kunnen aan een enkele leerkracht worden toevertrouwd. Voor meer dan 80 leerlingen, die den geheelen dag onderwijs ontvangen, is een tweede leerkracht noodig. Stijgt het aantal tot 160, dan moet er een derde leerkracht aangesteld worden. — Voor het onderwijs, dat slechts halve dagen gegeven wordt, wordt 100 als het maximum-aantal leerlingen per leerkracht beschouwd.

Aan de burgerscholen is het aantal onderwijzers, buiten den directeur en den godsdienstleeraar, minstens drie.

De gewone lagere school telt 5 klassen en de burgerschool, die voortbouwt op het geleerde in de volksschool, drie. De twee kunnen vereenigd worden tot een „Algemeene volks- en burgerschool."

De meeste scholen zijn gemengde, doch voor de 3 klassen der burgerschool is afscheiding der sexen voorgeschreven.

Het leerplan der burgerscholen moet eenigszins ingericht worden naar plaatselijke omstandigheden.

De Minister van Eeredienst en Onderwijs beslist, na het Rijksschooltoezicht gehoord te hebben, welke boeken en andere leermiddelen op de openbare scholen gebruikt mogen worden. Uit die lijst wordt een keuze van leer- en leesboeken gedaan door het Rijksschooltoezicht, na de districtsonderwijzersvergaderingen gehoord te hebhen. Bij de burgerscholen doet de vergadering van het onderwijzend personeel aan het Rijksschooltoezicht voorstellen betreffende de te gebruiken leer- en leesboeken.

8

Sluiten