Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

321. Conclusie. Wanneer ik in het kort de strekking van dit hoofdstuk, waarin aan eenige vragen betrekking, hebbend op de techniek in Openbare Leesmusea aandacht geschonken werd, wil weergeven, zoo kan dit geschieden met de woorden: «Asameans of simply earning money, do not recommand library work, take

up anything else.» ')

Het bibliotheekwezen staat niet in het teeken van een algemeene belangstelling. Te lang is de bibliotheek een plaats geweest voor slechts enkelen: voor den kleinen kring van studeerenden, wetenschappelijk arbeidenden of van hen, die de door een wetenschappelijke opleiding verkregen bekwaamheid in de praktijk eener broodwinning vruchtdragend konden maken. Breedere kringen blijven doorloopend vreemd staan tegenover de bibliotheken: nauwelijks is het bestaan bekend, het gebruik maken geschiedt door een beperkten kring, gevormd door steeds dezelfde belangstellenden. De instelling is op zichzelf van weinig belang voor het

maatschappelijk leven.

Geen wonder dan ook, dat bouw, inrichting en uitrusting dikwijls sporen dragen van een zeer slappe belangstelling en zorg. Gelijken tred met de enorme toename van de boekenproductie houden de beschikbaar gestelde gelden niet, noch de toegewezen arbeidskrachten, noch de toegemeten ruimten. Bibliotheekwerk stemt ontmoedigend.

Openbare Leesmusea deelen tot heden in dit lot in landen, waar een oude bibliotheektraditie bestaat. Op zeer enkele uitzonderingen na vindt men in Europa geen instellingen, die in staat zijn goed en vruchtbaar te werken, zich óp te werken tot een instelling van belang in het maatschappelijk leven.

Volksbibliotheken hebben nog om andere redenen een ongunstigen naam gekregen; maar de hoofdreden is ook hier: slechts een beperkte kring van belangstellenden en belanghebbenden bekommeren zich om de instelling.

Alleen door een herziening van haar program zullen èn wetenschappelijke, èn volksbibliotheken in staat zijn burgerrecht te veroveren ; in welke lijn, zoowel buiten als binnen de muren, trachtte

ik hierboven aan te geven.

De personen tenslotte, die zich tot bibliotheekwerk in Openbare Leesmusea aangetrokken voelen, vinden geen «prettig» en «aardig» werk voor hen gereed liggen, noch gemakkelijk noch goed be-

■) LJ. 1890, p. 292.

Sluiten