Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN LIEDJESZANGER.

I.

Een paar weken geleden heb ik een liedjeszanger in Odeon gehoord, Eduard Jacobs, den Sphinx-man van het nachtelijk-Amsterdamsche Warmoesstraatje. — Je zocht te vergeefs naar het mythologische monster in hem. — Zijn kop heeft niets van een wyfje, noch draagt hij een uier-zwaren boezem. En ook geen leeuwenlijf strekt zich in de flanken voor je uit. Verslinden doet hij niemand en mocht er ooit een Amsterdamsche Oedipus onder zijn hoorders hem beluisteren, wees verzekerd dat hij geen raadseltjes zal opgeven, noch zich »verdoen« als die zyn levensgeheimen ontsluieren wil. — Want Jacobs is een gemoedelijke kerel, meer naar oud-Egyptisch, dan naar Grieksch model, als Amsterdamsch Sphinxje gesneden. Hij hield een conferentie en tusschentekst zong hy! Van allerhande slag. Hy zong liedjes van weemoed, liedjes van huilerigheid, liedjes van armoe en liedjes van hoererij. Hij zong liedjes van opgeschminkte pret en liedjes van vedelweenerige teederheid. — Zóó mijn eerste indruk was: hoe grof zinlijk, plat, in-vulgair en zonder eenige geeste-

Sluiten