Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

typische taal der boerenluitrjes goed beluisterd heeft kan me bitter weinig schelen, is een technisch-onmisbaar onderdeel van haar kunstschepping. Maar wat mij dadelijk gansch en al bezighoudt is: of er léven in den dialoog zit, geheel persoonlijk, zooals er leven moet zitten in de psychologie van 'n bepaald figuur.

De psychologie van Rika b.v. kan onmogelijk op het innerlijk van vrouw Wyzel toegepast worden, wijl ze volkomen individueel, alleen zich oplost in het innerlijk van Rika. Dat moet precies het geval zijn met den dialoog. Wat Rika zegt moet alleen Rika kunnen zeggen en niet ook vrouw Wyzel en Jan enz.

De taal van mevrouw Van Gogh heeft vooral waar ze poogde met eigen klank, eigen gevoel te zeggen, veel gewonnen aan kleur en zuivere kernigheid. Haar beeldend woord is veel vaster, de factuur van haar zinnen veel hechter en gedrongener, haar plastiek veel pittiger, en zelfs waar stijl-invloed van anderen met den vinger aan te wijzen is, verheft zij zich in den zwaai der periode nog ver boven haar vroeger proza. Dat was duf, schoolsch, stijf, onpersoonlijk en klankloos. Nu gaat er een trilling door de zinnen, iets zeer vitaals en is er soms een eigenaardige gedragenheid en statigheid van woord- en beeldvorming die opvalt. Natuurlijk zy'n er ook zeer veel mislukkingen.

Zie hoe in een zin als deze alles dooreenloopt: »Mane lachte nu weer, maakte grapjes, praatte opgewonden met groote schelle oogen, de jukbeenderen gloeipekkend, benauwde hoest telkens opsnerpend". Vooral de laatste toevoeging hangt er ongelukkig bij.

Sluiten