Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het geschatte of afgeleide inkomen moet worden verminderd met eene voor alle aanslagen gelijke of in verband met de samenstelling van het gezin op gelijken voet berekende som en dienvolgens aftrek naast of boven die som geacht moet worden niet toelaatbaar te zijn.

„Wel is waar zijn volgens de slotbepaling van art. 243 afwijkingen van de regelen onder III en IV gesteld geoorloofd, wanneer de bestaande verordeningen of andere omstandigheden daartoe aanleiding geven, mits de verdeeling der lasten daarbij niet aanmerkelijk verschilt van die, welke bij opvolging van die regelen zou worden verkregen, maar van die slotbepaling zal niet dan met groote omzichtigheid zijn gebruik te maken en in geen geval op zoodanige wijze, dat daardoor eene der grondgedachten der wettelijke regeling prijs gegeven wordt.

„De heer Min. van binn. zaken, wiens meening wij hieromtrent gemeend hebben te moeten vragen, heeft ons bij missive van 18 Mei j.1. no. 2321, afd. B.B., te kennen gegeven, zich met onze tegen bedoelde regeling van den aftrek ontwikkelde bezwaren te vereenigen." Ged. Staten Groningen 31 Mei 1901; Gemst. 2593.

30. Op eene vraag in het V.V. der Tweede Kamer gedaan naar den zin der woorden op gelyken voet, die ook reeds in het oorspronkelijk ontwerp, maar zonder verwijzing naar de samenstelling van het gezin, vooikwamen, antwoordde d$ Regeering: „Om elk mogelijk misverstand te vermijden, vooral het misverstand, dat de aftrek in verhouding zou kunnen gebracht worden tot het totaal inkomen, is eene nadere redactie aangenomen, waaruit blijkt, dat geen ander verschil in het bedrag mag bestaan dan naar gelang van het aantal personen, die uit een inkomen onderhouden moeten worden."

De bedoeling van deze gewijzigde redactie — die in hoofdzaak in de wet is overgenomen — is dus, dat, waar de verordening een verhoogden aftrek toestaat in verband met het aantal kinderen van den belastingschuldige, die aftrek voor elk kind gelijk moet zijn, in welke klasse de vader ook aangeslagen worde. Getnst. 2394.

31. De leeftijd der kinderen mag niet als factor bij de berekening

van den aftrek voor noodzakelijk levensonderhoud gebezigd worden. Er mag geen ander verschil in het bedrag van dien aftrek bestaan, dan naar gelang van het aantal personen, die uit het inkomen moeten onderhouden worden. Gemst. 2438.

Percentage der heffing.

Artikel 243, sub IV.

32. Art. 243, sub IV, verbiedt wel, bij het invoeren van progressie het percentage, hetwelk van toenemingen wordt geheven, bij eenige op-

Sluiten