Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alinea van art. 245 der gemeentewet. De raad grondde zijn advies, dat strekte tot handhaving van den aanslag, enkel op de omstandigheid, dat reclamant door indiening van een getuigschrift van werkelijke woonplaatsverandering, door hem zelf onderteekend, te kennen had gegeven, dat zijn hoofdverblijf te Leeuwarden werd gevestigd. Met het oog echter op de slotalinea van art. 245 der gemeentewet, volgens welke de vraag, in welke gemeente het hoofdverblijf is gevestigd, niet uitsluitend naar de verklaring, in art. 76 van het burgerlijk wetboek bedoeld, maar naar de omstandigheden moet worden beoordeeld, waren Ged. Staten van meening, dat in het onderwerpelijk geval de omstandigheden meer gewicht in de schaal moesten leggen dan het tijdstip, waarop het verhuisbiljet was aangevraagd en ingeleverd, te meer waar reclamant het vroegtijdig tijdstip, waarop dit was geschied, voldoende had verklaard. Zij overwogen voorts, dat de omstandigheden, ook in verband beschouwd met de aanwijzing der standplaats bij de op elkaar gevolgde ministerieele beschikkingen, voldoende aanwezen, dat reclamants hoofdverblijf in Juni niet te Leeuwarden was gevestigd geweest, en wezen, waar de raad allerminst had aangetoond, dat reclamant in die maand in werkelijkheid zijn hoofdverblijf in die gemeente had gehad, de reclame toe. Prov. verslag Friesland over 1901; W.B.A. 2772.

7. De Rotterdamsche rechtbank deed op 23 Mei 1898 uitspraak tusschen een ingezetene en de gemeente over de betaling van drie maanden inkomstenbelasting. Zij was van oordeel, dat de eischer niet geacht kon worden zijn hoofdverblijf te hebben verlegd. De omstandigheden, dat niet gebleken was, dat hij bij eene andere gemeente eene verklaring had afgelegd, dat hij zich daar wilde vestigen, dat bij lid was gebleven van eene cargadoorsfirma te Rotterdam, dat hij zijne meubelen tijdelijk had laten opslaan, en dat hij kennelijk alleen om gezondheidsredenen een reisje naar het Zuiden maakte, doelden met andere, ten processe vaststaande feiten op eene tijdelijke afwezigheid en konden niet dienen tot staving van zijn beweren, dat hij zijn hoofdverblijf had veranderd.

De betaalde inkomsten-belasting behoefde hem dus niet teruggeven te worden. Oemst. 2435 en 2479; W.v.h.R. 7202; W.B.A. 2591.

In gelijken zin Genist. 2440.

8. Een reclamant, vroeger Provinciaal veearts 2e klasse te Goes, was benoemd tot veearts le klasse te Middelburg met ingang van 1 April 1897 en oefende sedert dien dag geregeld zijne practyk uit in laatstgenoemde gemeente, terwijl te Goes zijne vroegere betrekking van dien datum af door zijn opvolger werd waargenomen.

Dientengevolge werd hij te Middelburg voor 9 maanden aangeslagen; hij diende tegen dien aanslag bij den raad dier gemeente bezwaar in en kwam van de afwijzende beslissing van dat college bij Ged. Staten in be-

Sluiten