Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwen aanslag de vroeger verleende ontheffing feitelijk was vervallen, doch dat niettemin die aanslag behoorde te worden gehandhaafd, omdat de reclamant, zooals uit de medegedeelde omstandigheden moest worden afgeleid, gedurende het geheele jaar 1899 zijn hoofdverblijf in de gemeente, waar hij Rijks-ontvanger was, had gehad, zoodat hij ook voor het geheele jaar in die gemeente belastingplichtig was. Prov. verslag Zeeland over 1900.

29. De vraag, of een belasting-ambtenaar, die tijdelijk naar eene gemeente buite°n zijne standplaats gedetacheerd wordt, zijn hoofdverblijf in zijne standplaats behoudt, dan wel naar de gemeente der tijdelijke waarneming overbrengt, wordt door de onderscheiden colleges van Ged. Staten - bij beslissingen in hooger beroep omtrent aanslagen in den hoofdelijken omslag — nog steeds in verschillenden zin beantwoord. Ons komt het voor, dat ook hier de „omstandigheden (art. 245, slot, gemeentewet) moeten beslissen. Laat de ambtenaar, bij zijn vertrek uit, zijne standplaats, aldaar niets achter, zoodat die standplaats teitelijk heeft opgehouden zijn hoofdverblijf te zijn, dan moet hij — ook al voldoet hij niet aan de voorschriften betreffende het bevolkingsregister, geacht worden zijn werkelijk hoofdverblijf naar de gemeente, waar hij gestationneerd is, overgebracht te hebben, en kan hij aldaar in den hoofdelijken omslag aangeslagen worden, Gemst. 2861.

30. Het hoofdverblijf, dat volgens art. 245 gemeentewet de verplichting doet ontstaan om bij te dragen in den hoofdelijken omslag, is niet hetzelfde als het wettelijk domicilie, maar moet naar den feitelijken toestand beoordeeld worden. Een curandus, die in eene andere gemeente gevestigd is dan zijn curator, moet in de gemeente van zijn werkelijk verblijf aangeslagen worden. Aldus besliste ook het Kon. besluit van 29 Mei 1885 {Stbl. no. 124). Genist. 2660.

In gelijken zin Genist. 2375.

31. Zie omtrent aanslag van curandi in den hoofdelijken omslag het hoofdartikel in Gemst. 2469.

32. Hoezeer de wet het niet met zoovele woorden verbiedt, zou het toch met hare economie strijden, eene vrouw, die met haar man samenwoont en deel uitmaakt van zijn gezin, uit eigen hooide aan te slaan. Daarvoor zouden ook, zelfs al had de vrouw eigen fortuin, de grondslagen van huurwaarde van het bewoond perceel, waarde van het mobilair, talrijkheid van het gezin enz. niet zijn toe te passen. Gemst. 1915.

33. Eene gehuwde vrouw, die, hetzij afzonderlijk, hetzij als inwonende bij anderen, gescheiden van haar echtgenoot leeft, heeft in de gemeente harer werkelijke woning haar hoofdverblijf en is dus aldaar belastingplichtig. Van den man kan in dit geval niet gezegd worden, dat hij de woning zijner echtgenoote voor haar beschikbaar houdt, en de wet kan

Sluiten