Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37. Het is o.i. onmogelijk zijn hoofdverblijf te hebben in twee verschillende gemeenten; bet begrip Aoo/rfverblijf sluit die opvatting uit.

Waar het hoofdverblijf is, moet naar den regel van art. 245 naar omstandigheden beoordeeld worden. Ligt een woonhuis op het grondgebied van twee gemeenten, dan zal naar onze meening de omstandigheid, onder welke gemeente het belangrijkste deel van het huis gelegen is, beslissend zijn over de bepaling van het hoofdverblijf. Intusschen zal de belanghebbende ook overeenkomstig art. 245, sub 3°., voor 4/is kunnen worden aangeslagen. W.B.A. 2984.

Zie voor een analoog geval Ged. Staten Zuid-Holland 5 Januari 1886 in W.B.A. 1913.

38. Door Ged. Staten van Groningen werd in 1888 (Zie Prov. verslag over dat jaar) aangenomen, dat een vrouw, elders in een krankzinnigengesticht verpleegd, haar hoofdverblijf behoudt ter woonplaats van haren man. Gemst. 2007.

39. De echtgenoot van eene belastingschuldige kwam in beroep van de afwijzende beschikking van den raad op zijn bezwaarschrift tegen haren aanslag in de plaatselijke directe belasting, op grond, dat de vrouw onafhankelijk van haren wil in die gemeente verblijf hield en wel in een krankzinnigengesticht, maar dat zij domicilie had waar adressant, haar wettige man, woonachtig was en dat derhalve volgens art. 245 der gemeentewet zijne echtgenoote in eerstbedoelde gemeente geen belasting verschuldigd was.

Na den raad te hebben gehoord, werd de aanslag gehandhaafd, uit overweging:

„dat voor de belastingplichtigheid volgens bovengenoemd wetsartikel alleen gevorderd wordt hoofdverblijf of verblijf, niet te verwarren met wettige woonplaats;

„dat de aangeslagene sedert 1 Mei 1893 in het krankzinnigengesticht verblijft en bet voor de belastingplichtigheid onverschillig is, of dat verblijf al dan niet vrijwillig is." Prov. verdag Gelderland over 1895; Genist. 2392.

In gelijken zin Genist. 2443.

40. Iemand, wonende in de gemeente A., werd wegens krankzinnigheid geplaatst in een gesticht te B. en in beide gemeenten in den hoofdelijken omslag aangeslagen.

Hieromtrent zegt de Gem.stem:

„De aanslag te B. is o.i. terecht geschied, omdat de krankzinnige, die aldaar voor onbepaalden tijd verpleegd wordt, in die gemeente zijn hoofdverblijf heeft, al is ook zijn wettelijk domicilie elders. Wij verwijzen te dezen opzichte naar de decisie van Ged. Staten van Groningen van 6 Jan 1899, in ons no. 2468, en het hoofdartikel in ons no. 2469.

Sluiten