Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeene aanteereningen omtrent forensen.

Algemeene aanteekeningen omtrent forensen.

Artikel 245, eerste lid, 2°., 3°. en 4°.

64. Algemeen beginsel. Daaromtrent zeide de Min. v. binn. zaken in de Tweede Kamer op 1 April 1897 (Hand. blz. 1160):

„De Regeering wil, dat men voor regelmatig voorkomende gevallen een vasten, billijken en niet te hoogen maatstaf van belasting zal hebben, zoodat het gemeentebestuur niet behoeft te spionneeren, zoodat zich niet het geval zal voordoen, dat men gaarne eens naar de stad of naar zijn buiten zal gaan, maar dat men, als inen aan de grens der verblijfdagen is, dadelijk eene maand belasting moet betalen en, met één woord, de onaangename verhouding, die zich bij al te scherpe afbakening van de belasting naar tijdsgelang heeft voorgedaan, zal worden weggenomen. Ieder, die een buitenverblijf of een stadsverblijf heeft, kan daarvan het geheele jaar profiteeren, wanneer hij slechts deze billijke belasting betaalt. Forensen, die niet hetzij eene vaste betrekking hebben, hetzij eene vaste installatie tot uitoefening van zaken, zullen wel weinig voorkomen."

65. „Forens" is afkomstig van het Latijnsche foris, hetwelk buiten, en in sommige gevallen buiten de stad beteekent; met deze uitdrukking worden aangeduid personen, die in eene gemeente in de belasting betrokken worden, ofschoon zij elders hun hoofdverblijf hebben. Gemst. 2473.

66. Na de eerste zeven maanden van het jaar te Zoeterwoude zijn hoofdverblijf te hebben gehad, bracht iemand in Augustus van dat jaar zijn domicilie over naar de gemeente Leiden, waar hij voor dat dienstjaar reeds als forens belastingschuldig was. Toen hij daarop ingevolge artikel 245, eerste lid, ad 1°., der gemeentewet in de gemeente Leiden voor een tijdvak van 5 maanden werd gebracht op het suppletoir kohier, kwam hij tegen dien aanslag op. Over die 5 maanden had hij ook als forens betaald. Door hem voor die 5 maanden nogmaals, zonder eenigen aftrek voor hetgeen hij als forens had betaald, aan te slaan, vorderde men van hem reeds voor die vijf maanden — zoo betoogde hij — feitelijk te veel. Hij meende dat 5/i2 van hetgeen hij als forens betaald had, van het bedrag van den aanslag, krachtens artikel 245, sub 1°., afgetrokken moest worden.

Vermindering van belastingschuld ingevolge artikel 245, eerste lid, ad 1°., op grond van belastingbetaling krachtens het eerste lid, ad 2°., 3°. of 4°., is noch bij de wet noch bij de verordening geregeld. Ged. Staten meenden daarom deze reclame te moeten afwijzen. Prov. verslag van ZuidHolland over 1902.

67. In de Gem.stem. no. 2785 wordt gevraagd:

„Kan iemand, die tot in de maand September van eenig dienstjaar zijn hoofdverblijf in eene gemeente heeft gehouden en dientengevolge

Sluiten