Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meester en de oudste wethouder op den len April, dat is op den 91sten dag van het belastingjaar, zich persoonlijk ter plaatse hebben overtuigd, dat in het vertrek, hun door den meesterknecht als de kamer van zijn heer aangewezen, eene piano en eene mahoniehouten kast stonden, en dat zij van den meesterknecht vernamen, dat de stoelen met zwart trijpen zitting, welke zij in een ander vertrek zagen staan, uit de kamer van den heer L. waren genomen.

In zijn nader ;ulres erkende reclamant de aanwezigheid eener piano en kast, doch deed hij zijne eerste bewering gestand, dat noch de kamer, noch de meubels voor zijn dienst worden gebezigd, daarbij aanvoerende, dat het beheer der betrokken hofstede werd gevoerd in de plaats van zijn hoofdverblijf.

Het besluit van Ged. Staten tot handhaving werd genomen op grond van de overweging, dat art. 245, eerste lid, sub 2°., onbesproken laat de vraag, of van eene gemeubelde woning, kantoor enz. als zoodanig inderdaad gebruik is gemaakt, doch dat uit de geconstateerde feiten is af te leiden, dat gedurende meer dan 90 dagen beschikbaar is gehouden eene kamer, welke, hoe sober ook, gemeubeld was, en adressant mitsdien uit dien hoofde belastingplichtig is, en verder, dat, nu die belastingplichtigheid als vaststaande moest worden aangenomen, buiten beschouwing kon blijven de omstandigheid, dat de reclamant is eigenaar en beheerder der hofstede, waarvan gemelde kamer deel uitmaakt en mitsdien niet behoeft onderzocht te worden, of het bewuste gedeelte is beschikbaar gehouden als eene inrichting tot persoonlijke uitoefening van het bedrijf. Prov. verslag Noord-Brabant 1904; Gemat. 2808; JV.B.A. 2971.

87. Bij een van de beroepen gold het de vraag, of eene zoogenaamde landheerskamer, behoorende tot een door appellant verhuurd boerenerf, kon worden geacht te zijn eene gemeubelde woning in den zin van art. 245, sub 2°., der gemeentewet. Ged. Staten van Overijssel overwogen, dat hun na onderzoek was gebleken, dat bedoelde kamer niet was ingericht voor bewoning en de zich daarin bevindende meubelen blijkbaar voornamelijk gebezigd werden voor het gebruik der aan de kamer verbonden veranda ; dat bijgevolg het geval van het beschikbaar houden van eene gemeubelde woning niet aanwezig was te achten. Aan appellant werd mitsdien ontheffing van den aanslag verleend. Prov. verslag Overijssel over 1903.

88. Door verplaatsing der meubelen verliest eene gemeubelde woning in het algemeen haar karakter als zoodanig niet. Alleen dan, wanneer de meubelen in dier voege worden opgestapeld of verpakt, dat aan geen dadelijke herplaatsing tot hernieuwd gebruik te denken valt, zou men kunnen aannemen, dat de woning niet langer als ,gemeubeld" te beschouwen is. Dit is een zuiver feitelijke quaestie. Gem.it. 2661.

4*

Sluiten