Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

71

soonlijke uitoefening van zijn bedrijt en dat niet behoefde te worden nagedaan Qp hoeveel dagen in het jaar het kantoor door reclamant wordt be~ zocht, omdat de genoemde feiten op zichzelven reeds een voldoenden wettelijken grondslag opleveren voor de belastingplichtigheid krachtens art. "245, sub 2°., der gemeentewet.

Ged. Staten overwogen echter, „dat volgens art. 245, sub 2"., der gemeentewet de belastingplichtigheid eerst ontstaat door het beschikbaar houden van een kantoor tot persoonlijke uitoefening van een bedrijf, doch dat de bevoegdheid van reclamant, om met den naam der firma te teekenen voor alle handelingen, het doel der vennootschap betreffende, niet noodwendig medebrengt, dat hij zijn bedrijf in het kantoor in die gemeente persoonlijk uitoefent;

„dat niet gebleken is, dat reclamant het kantoor zijner firma aldaar ter persoonlijke uitoefening van zijn bedrijf beschikbaar houdt,

en vernietigden den aanslag. 1'rov. verslag Noord-Holland over 1904; W.B.A. 2952; Gemst. 2815.

124. De raad der gemeente Rotterdam had een te Brussel woonachtigen vennoot aangeslagen in de plaatselijke directe belasting naar het inkomen, op grond dat hij als mede-beheerend vennoot eener firma aldaar een kantoor voor zich beschikbaar hield.

Gedeputeerde Staten vernietigden dezen aanslag, daarbij overwegende: „dat uit het feit, dat reclamant geacht moet worden beheerend vennoot te zijn van eene firma, die kantoor houdt te Rotterdam, nog niet volgt, dat hij een kantoor aldaar voor zich beschikbaar houdt;

„dat wel elk beheerend vennoot eener vennootschap, die ergens kantoor houdt, aldaar mede een kantoor heeft, doch dat dit wel te onderscheiden is van een kantoor voor zich beschikbaar te houden;

„dat, indien uit de omstandigheid, dat iemand beheerend vennoot is eener firma, die ergens kantoor heeft, volgde, dat hij moest geacht worden voor zich aldaar een kantoor beschikbaar te houden, ook een in Indië wonend beheerend vennoot eener firma, die in Nederland kantoor houdt, als forens zou zijn aan te slaan;

„dat zulk een persoon vvel een kantoor heeft te Rotterdam, doch dit niet voor zich beschikbaar houdt;

„dat bij reclamant, die te Brussel woont en nimmer te Rotterdam op het kantoor komt, niet de wil bestaat om voor zich een kantoor te Rotterdam beschikbaar te houden." Prov, verslag Zuid-Holland over 1902.

125. Twee appellanten, aangeslagen in den hoofdelijken omslag deigemeente Enschedé over 1902, omdat zij aldaar, naar de raad beweerde, voor zich gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar een kantoor tot persoonlijke uitoefening van een bedrijf hadden beschikbaar gehouden, ontkenden de juistheid dezer bewering.

Sluiten