Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beslissing van Ged. Staten in deze drie gelijksoortige gevallen steunde od de navolgende overwegingen: , , , , dat reclamant te X. heeft eene fabriek, naar het oordeel van den laad van X. ter persoonlijke uitoefening van zijn bedrijf, en dat op dien giond

de dat^clamant erkent in de gemeente X. eene fabriek in eigendom te hebben en dat hij deze min of meer geregeld bezoekt, doch dat hij ontkent aldaar werkzaamheden te verrichten, dat daartoe zelfs geene ge- . legenheid bestaat, omdat er geen kantoor is en omdat er geene geleeenheid tot zitten of schrijven bestaat; - dat hij in de fabnek niets anders doet dan opnemen of er geregeld en doelmatig wordt gewerkt, terwijl hij alle kantoorwerkzaamheden uit zijn bedrijf voortvloeiende verricht in zijn in de gemeente Y. gelegen kantoor;

dat uit deze omstandigheden niet blijkt, dat reclamant te X_ een.ge

inrichting tot persoonlijke uitoefening van zijn bedrijf beschikbaar houdt.

Prov. verslag Noord-Holland over 1902; Gemst. 2636.

In gelijken zin Gemst. 2686 en 2696.

146 Wanneer vast staat, dat iemand tot persoonlijke uitoefening van het bedrijf in eene hem toebehoorende fabriek in de gemeente meermalen in het belastingjaar aanwezig is geweest, dan kan de vraag o hij in de fabriek nog bovendien een kantoor tot die u, oefening beschikbaar had, voor de toepasselijkheid van art. 24o eerste lid, sub - ., der gemeentewet buiten beschouwing blijven. Ged. Haten Groningen

28 Mei 1903; W.B.A. 2817.

147. Elders wonende directeuren eener fabriek die deze slechts eenmaal per week bezoeken en aldaar in een vertrek van den fabrieksbaas zitting houden tot uitbetaling van loonen, regeling van zaken enz., moeten niet als forens belastingplichtig worden geacht, daar hunne bezoeken aan de fabriek niet op 90 dagen in het jaar plaats hebben en zij niet gezegd kunnen worden een kantoor of andere inrichting tot persoonlijke uitoefening van hun bedrijf voor zich beschikbaar te houden (art. 245. sub 2°., gemeentewet). Gemst. 2758.

148 Het gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar zich ophouden in eene gemeente ten einde toezicht te houden op den bouw eener nieuwe voor zijn bedrijf aldaar te vestigen fabriek, doet iemand niet vallen onder no. 2 noch onder no. 4 der eerste alinea van art. 24..

geErl. niet .f, dat hij van .ij»

gebruik gemaakt heeft om ook de aldaar reeds gevestigde fabi ek te bezoeken, wanneer niet vaststaat, dat hij daar verr.cht.ngen heeft gedaan

Sluiten