Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

malen in het jaar bezoeken en de zaken overigens geheel aan de leiding van een fabrieksbaas zijn overgelaten.

De beslissing van Ged. Staten, waarbij de beroepen ongegrond verklaard werden, steunde op de volgende overwegingen:

„dat eene vennootschap onder eene firma niet is eene op zich zelf staande van de vennooten afgescheiden rechtspersoon, maar de firma de naam is, waaronder door de vennooten handel wordt gedreven en zaken worden gedaan;

„dat daaruit onwederlegbaar volgt, dat de zaken, die eene vennootschap onder eene firma drijft, in den zin der wet geacht moeten worden door elk der firmanten te worden gedreven;

„dat dus, waar eene vennootschap onder eene firma eene steenfabriek heeft in Zwollerkerspel (aldaar het bedrijf van steen fabrikant uitoefent), daaraan geene andere beteekenis kan worden gehecht, dan dat elk der firmanten dat bedrijf uitoefent, en voor de uitoefening van dat bedrijf aldaar eene vaste inrichting permanent beschikbaar houdt;

„dat, waar vaststaat, dat de vennootschap onder de firma .... in het belastingjaar 1898 gedurende meer dan 90 dagen in Zwollerkerspel voor de uitoefening van haar bedrijf eene steenfabriek beschikbaar heeft gehouden, de firmanten dier vennootschap in den zin der wet geacht moeten worden dit bedrijf persoonlijk uitgeoefend en voor die uitoefening aldaar eene fabriek beschikbaar gehouden te hebben, zoodat diegenen dier firmanten, die buiten Zwollerkerspel hun hoofdverblijf hebben, terecht door den gemeenteraad op grond van het eerste lid, sub 2, van art. 245 der gemeentewet in den hoofdelijken omslag dier gemeente over 1898 zijn aangeslagen;

„overwegende, wat de verdere beweringen van appellanten betreft, — dat zij slechts enkele malen de steenfabriek bezoeken en dat het kantoor der firma te Zwolle is gevestigd — dat de juistheid daarvan niet nader behoeft te worden onderzocht, wijl die de op art. 245, eerste lid, sub 2, der gemeentewet gegronde belastingschuldigheid toch niet kunnen opheffen of wijzigen." Prov. verslag Overijssel over 1899.

160. Een fabrikant, directeur eener vennootschap, welke in twee gemeenten eene fabriek heeft, terwijl in één dier gemeenten het kantoor deifirma is gevestigd, alwaar alle zaken, de vennootschap betreffende, geregeld worden, was niettemin ook in de andere gemeente in de plaatselijke directe belasting aangeslagen, op grond dat hij in het jaar, waarover de aanslag liep, gedurende meer dan 90 dagen in die gemeente voor zich eene localiteit tot persoonlijke uitoefening van een bedrijf beschikbaar zoude hebben gehad en hij dus, ingevolge art. 245, sub 2°., der gemeentewet, belastingplichtig zoude zijn.

Uit de ingewonnen inlichtingen bleek, dat adressant in den regel slechts

Sluiten