Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf erkent, dat steeds een gedeelte van dat huis voor hem beschikbaar is voor de uitoefening van de praktijk van advocaat en procureur;

„dat op grond van een en ander kan worden aangenomen, dat de reclamant in de gemeente Goes in het belastingjaar 1905 op meer dan 90 dagen aanwe/.ig is geweest tot uitoefening van de praktijk van advocaat en procureur ten huize van zijn vader;

„dat de reclamant alzoo in die gemeente over het jaar 1905 op grond van art. 245, eerste lid, sub 4°., der gemeentewet belastingplichtig is te achten;

„dat tegen het bedrag van den aanslag overigens geene bedenking is geopperd.'' Prov. verslag Zeeland over 1905.

190. Wanneer van eene boerdery het voor woning bestemde gedeelte in de eene en de schuren en stallen in de andere gemeente gelegen zijn, dan is de bewoner dier boerderij in de laatste gemeente belastingplichtig uit kracht van art. 245, eerste lid, sub 4°., der gemeentewet. Ged. Staten Groningen 9 Maart 1906 no. 200; W.B.A. 2965.

191. Een molenaar, wonende in de gemeente Schoterland, die door den gemeenteraad van Engwirden als forens was aangeslagen, zag dien aanslag door Ged. Staten van Friesland in hooger beroep bevestigd, op deze gronden:

„dat reclamant woont in de gemeente Schoterland, doch dat de door hem geëxploiteerde korenmolen, die ongeveer 30 meter van zijne woning is verwijderd, staat op het grondgebied van Engwirden;

„dat hij geregeld iederen werkdag, in elk geval dus op meer dan 90 dagen van het dienstjaar, in Engwirden is aanwezig geweest tot uitoefening van zijn bedrijf als korenmolenaar in bedoelden molen en hij dus terecht — overeenkomstig de bepaling sub 4 van het eerste lid van art. 245 gemeentewet — voor *lit gedeelte van den aanslag over een vol jaar in den hootdelijken omslag van Engwirden is aangeslagen." Ged. Staten Friesland in 1900; Gemst. 2538; W.B.A. 2657.

192. Iemand, die als bediende op het kantoor van zyn vader zich zoo niet dagelijks, dan toch zeker vier a vijf keeren per week naar eene elders gevestigde onderneming van zijn vader begaf, was aldaar krachtens art. 245, sub 4°., der gemeentewet aangeslagen in den hoofdelijken omslag. Tegen dezen aanslag kwam hij bij Ged. Staten in beroep, daarbij aanvoerende, dat de leiding der onderneming aan een chef of meesterknecht was opgedragen en hijzelf aldaar geen bedrijf uitoefende.

Uit de door het gemeentebestuur verstrekte inlichtingen bleek hun evenwel, dat hij aldaar van en namens zijn vader orders kwam brengen en de werkzaamheden kwam regelen, terwijl ook een vertrekje tot dat doel voor hem beschikbaar werd gehouden.

Sluiten