Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

250. Een besluit van den gemeenteraad, strekkende om zich onbevoegd te verklaren op een adres om gedeeltelijke afschrijving van hoofdelijken omslag en adressant te verwijzen naar burgemeester en wethouders, is in strijd met de wet; eveneens het besluit van burgemeester en wethouders, waarbij op dat verzoek wordt beslist. Gemst. 2363.

251. Erfgenamen kunnen geene plaatselijke directe belasting schuldig blijven, na het overlijden van den erflater vervallen. W.B.A. 2536 en 2539.

252. De laatste zinsnede van het derde lid, art. 245 gemeentewet, is een gevolg van eene in het V.V. der Tweede Kamer betreffende het ontwerp der wet van 24 Mei 1897 (Stbl. no. 156) gemaakte opmerking omtrent dubbelen aanslag bij verhuizing in den loop der maand. Dit bezwaar, zeide de commissie van rapporteurs, doet zich vooral gevoelen in de noordelijke provinciën, waar de gewone dagen van verhuizing 12 Mei en 12 November zijn. De regeering heeft dus, door invoeging van de aangehaalde zinsnede, alleen die personen van dubbelen aanslag willen ontheffen, die op de gebruikelijke verhuistijden, in de eerste helft der maand, naar eene andere gemeente vertrekken. Voor de anderen geldt de regel, neergelegd in de eerste zinsnede van het derde lid. Gemst. 2595 en 2595.

253. De exoeptioneele bepaling van art. 245, derde lid, laatste zinsnede, geldt alléén bij verhuizing (ten einde de onbillijkheid van aanslag in twee gemeenten weg te nemen). Bij overlijden van een belastingschuldige geldt derhalve de regel, dat nl. een gedeelte eener maand voor eene geheele maand gerekend wordt. Gemst. 2587.

254. Naar inzien van den Minister van binnenlandsche zaken is het alleszins redelijk en billijk, dat, wanneer een in den hoofdelijken omslag aangeslagen inwoner sterft en hij geen gezin heeft, of zijn gezin niet in de gemeente verblijft, zijn aanslag niet worde ingevorderd over de maanden van het jaar, na zijn overlijden verloopen; dit ligt ook geheel in de bedoeling der gemeentewet, vermits toch bij het voorschrift van art. 245, dat hij, die niet het geheele jaar in de gemeente verblijft, slechts voor zoovele twaalfden in den hoofdelijken omslag moet deelen, als hij maanden in de gemeente heeft vertoefd, dit niet alleen op het geval van vertrek uit de gemeente, maar ook op dat van overlijden toepasselijk is. M. v. B. Z. 4 Jtili 1853; Gemst. 472.

Zie ook Gemst. 2640.

255. Door het overlijden is het hoofdverblijf van den aangeslagene in de gemeente opgehouden, zoodat — onverschillig of de nalatenschap zuiver dan wel onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard is — in ieder geval de belasting over de maanden na die, waarin het overlijden plaats greep, ingevolge art. 245, derde lid, gemeentewet onverschuldigd

Sluiten