Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dut art. 265 der gemeentewet aan den aangeslagene het recht toekent tegen zijnen aanslag bij den raad en verder bij ons be/.waren in te brengen, welk recht, ingevolge de bepalingen van den 18en titel, eerste boek, van het burgerlijk wetboek, overgaat op den curator van den aangeslagene, maar dat in casu bij onderzoek was gebleken, dat de benoeming van een curator vooralsnog niet had plaats gehad. Prov. verslag Noord-Brabant over 1903; Gemst. 2765.

36. Een per order van de adressante door een ander onderteekend beroepschrift bleef buiten beschikking, als niet ingediend met inachtneming der voorschriften van art. 8 der grondwet, volgens welke onderteekening van schriftelijke verzoeken uit naam van anderen alleen kan geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmacht, hoedanig stuk in dezen niet bij het adres was gevoegd. Prov. verslui/ Drenthe over 1905.

37. De raad der gemeente Bolsward voerde als voornaamsten grond voor de afwijzing eener reclame in beroep aan, dat deze andere opgaven der inkomsten bevatte, dan de reclame, in eersten aanleg ingediend.

Bij hunne beslissing meenden Ged. Staten den raad te moeten doen opmerken, dat dit geen grond tot afwijzing kon zijn, daar toch de uitoefening van het recht van beroep, en dus ook het recht, om tot staving van dat beroep zoodanige bewijsgronden aan te voeren als de reclamant in zijn belang zal oordeelen, onbelemmerd moet zijn.

Zij vestigden er voorts de aandacht op, dat aan den raad, aan wien het bezwaarschrift in beroep, om bericht en raad, wordt gezonden, daardoor de gelegenheid wordt geopend, om over de aangevoerde bewijsgronden zijn oordeel uit te spreken en dit oordeel met bewijzen te staven, althans met redenen te omkleeden, een gelegenheid, die te ruimer is, als, gelijk hier het geval was, gedetailleerde opgaven in het bezwaarschrift voorkomen. Prov. verslag Friesland over 1900.

38. De weigering van een reclamant, om inzage te geven van zijn aanslagbiljet in de vermogensbelasting, mag voor hem geene nadeelige gevolgen hebben, met het oog op de wet op die belasting en de voorschriften te harer uitvoering gegeven, welke in het algemeen zooveel mogelijk er op ingericht zijn, om den aanslag in die belasting geheim te doen houden voor ieder ander dan den belastingschuldige en de ambtenaren en raden van beroep, die er uit den aard der zaak kennis van moeten nemen. Prov. verslag Noord-Holland over 1896; W.B.A. 2539.

39. Een reclamant gaf in zijn bezwaarschrift in beroep te kennen, dat hij gaarne verschoond zou blijven van de noodzakelijkheid, om zijn geheele

Sluiten