Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister antwoordde d.d. 12 Februari 1900 no. 43, afd. Reg'e:

„Naar aanleiding enz. heb ik de eer uw college mede te deelen, dat ik mij vereenig met de opvatting, volgens welke de vrijstelling van liet laatste lid van artikel '266 der gemeentewet niet geldt voor mandaten tot teruggaaf van hoofdelijken omslag of andere plaatselijke directe belastingen.

„Hoewel het Kon. besluit van 25 Juli 1882 no. 28 genomen is om alle stukken betrekkelijk de daarbij vermelde ontheffing en teruggaat van zegelrecht vrij te stellen, kan toch geene aanleiding worden gevonden tot afgifte van ongezegelde mandaten, omdat de vrijgestelde stukken met name zijn genoemd, en mandaten daaronder niet vallen."

6. Door Ged. Staten van Zeeland werd in 1900 aan den Minister van financiën de vraag gedaan, of beschikkingen van hun college op bezwaarschriften tegen aanslagen in den hoofdelijken omslag aan zegelrecht onderworpen zijn.

Hoewel als regel gold om dergelijke toewijzende beschikkingen op reclames, op grond van artikel 266, derde alinea, der gemeentewet, op ongezegeld papier te stellen, twijfelde men of dit wel juist was.

Men merkte op, dat die beschikkingen eigenlijk niet vallen onder de in den aanhef van de derde alinea van gemeld wetsartikel vermelde „bezwaarschriften tegen den aanslag" en men meende ze evenmin te kunnen rangschikken onder de daar aan het slot vermelde „beschikkingen en kwijtingen betreffende de teruggaaf van ten onrechte betaalde belasting."

Immers, zoo werd beweerd, de beschikkingen van Ged. Staten strekken tot handhaving of tot vermindering van den aanslag, maar laten de vraag, of de belasting al- dan niet betaald is en mitsdien teruggaaf moet plaats hebben, geheel in het midden.

De Minister deelde bij schrijven van 20 Maart 1900 no. 51, afd. Kegic, aan Ged. Staten mede, dat, in verband met het bepaalde in de artikels 265 en 266 der gemeentewet, de bedoelde beschikkingen moeten geacht worden van zegelrecht te zijn vrijgesteld, óók al wordt daarbij niet bepaaldelijk de teruggaaf van ten onrechte betaalde belasting bevolen. P. IV. no. 9299.

Sluiten