Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daarna bij ieder onderwerp eene uiteenzetting gegeven der door de Novelle aangebrachte wijzigingen

Van onmiddellijk belang voor ons onderwerp is de 3de Afdeeling van den 7de" Titel der G. O.. welke als onderdeel der voorschriften betreffende „gewerbliche Arbeiter" in de §§ 126—133 de „LehrlingsverhSltnisse" behandelt. Deze wettelijke regeling van het leerlingwezen zal hieronder bij de verschillende onderdeelen van onzen arbeid nader ter sprake komen. Als inleiding tot het daar medegedeelde volgt hier slechts eene korte uiteenzetting van de algemeene beginselen der G. O., welke voor het leerlingwezen van belang zijn.

De G. O. gaat in § 1 van het beginsel uit, dat een ieder — behoudens bijzondere uitzonderingen — vrij is een bedrijf uit te oefenen, terwijl volgens § 41 de bevoegdheid tot uitoefening van een bedrijf medebrengt het recht om gezellen en leerlingen aan te nemen.

De G. O. bevat een aantal bepalingen. welke ten doel hebben de totstandkoming van vereenigingen van ambachtslieden, z.g. „Innungen", te bevorderen.

Zij. die een ambacht zelfstandig uitoefenen, kunnen zich ter bevordering der gemeenschappelijke belangen van het bedrijf tot Innungen vereenigen: onder de aan deze Innungen opgelegde verplichtingen behoort o.a. de nadere regeling van het leerlingwezen, de zorg voor de technische en moreele vorming der leerlingen en in sommige gevallen ook de beslissing van processen tusschen leden ^der Innung en hunne leerlingen: zij zijn voorts bevoegd, vakscholen voor leerlingen op te richten en maatregelen te nemen ter bevordering der technische vorming van patroons en gezellen.

De G. O. schrijft den inhoud der Innungsstatuten voor; de maatregelen ter regeling van het leerlingwezen worden daarbij in bijzonderheden aangegeven.

In de Innungen moeten alle ambachtslieden, die aan de voor het lidmaatschap gestelde vereischten voldoen, worden opgenomen; uitgesloten zijn alleen zij , die niet in het bezit zijn der „bürgerliche Ehrenrechte" of door rechterlijke beschikking in het beheer van hun vermogen zijn beperkt.

De wetgever is er steeds».op uit geweest, de beteekenis der Innungen te versterken en in het bijzonder op het gebied van het leerlingwezen hare bevoegdheden te verruimen. De opvolgende wijzigingen der G. O. vóór 1897 hebben zich voortdurend in deze richting bewogen.

') Aanhalingen vau der G. O. zijn dan ook, voorzooverre niet anders vernield, steeds ontleend aan deu ouden tekst, terwijl verwijzingen naar deu nieuwen tekst met. de aanduiding nieuw zijn voorzien.

Sluiten