Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ambachtsscholen kunnen uit den aard der zaak slechts worden opgericht in de grootere plaatsen, waar voldoende leerkrachten en leerlingen aanwezig zijn, en kunnen ook daar slechts een betrekkelijk zeer gering deel van het totale aantal leerlingen bevatten. De meeste ouders zijn niet in staat, de kosten, verbonden aan het bezoek der school, te dragen, en moeten er zelfs op uit zijn te zorgen, dat hunne jongens zoo spoedig mogelijk eene kleine bijdrage in het huishouden gaan verdienen. De ambachtsscholen worden dan ook in den regel slechts door zoons van meer bemiddelde werklieden en jongens uit meer gegoede kringen bezocht, die de bedoeling hebben het verder dan tot gewoon gezel te brengen.

\ oor de vorming van den aanstaanden ambachtsman blijft het dus in hoofdzaak neerkomen op het leerlingwezen en op de practische opleiding in de werkplaats. Op dit gebied zullen zich dan ook de middelen tot verbetering der vakopleiding in de eerste plaats hebben te bewegen en zullen zij de meest practische en algemeen werkende resultaten kunnen afwerpen. Bijzondere belangstelling verdienen daarom de in het groothertogdom Baden bestaande „Lehrlinf/swerkstiitten".

e. De r L<hrliniffiwerkxtatten" in linde» ').

De oprichting dezer werkplaatsen dagteekent van het jaar 1888. toen op voorstel der regeering op de begrooting een bedrag van 5000 M. werd uitgetrokken, ten einde daaruit bekwame ambachtslieden, die de verplichting op zich zouden nemen een bepaald aantal leerlingen op te leiden, met geldelijke bijdragen te kunnen steunen. Nadat in den loop va.n het jaar 1888 door bemiddeling van den Gewerbeverein te Karlsruhe bij wijze van proef eenige leerlingwerkplaatsen waren in het leven geroepen, werden in .Tuli 1889 de definitieve voorschriften voor de oprichting uitgevaardigd.

Deze voorschriften bevatten in hoofdzaak het volgende:

Als leerlingen worden slechts jongens aangenomen, die de lagere school behoorlijk hebben afgeloopen en voor het door hen gekozen ambacht geestelijk en lichamelijk voldoende ontwikkeld zijn.

De meester is verplicht alle in het ambacht voorkomende werkzaamheden in een doelmatige volgorde te onderwijzen, den leerling uitsluitend

') De bijzonderheden hieromtrent zijn iu hoofdzaak ontleend aau het reeds aangehaalde werk van Dr. Paul Scheven en aan de inlichtingen, ons door het ministerie van binnenlandsche /.aken te Karlsruhe met groote welwillendheid verstrekt.

Sluiten