Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij hetgeen zij voorstelt in twijfel te trekken en zich zelf als de redder der Partij van den principieel en ondergang in hare plaats te dringen. En nog minder is het geoorloofd, daaraan een persoonlijken aanval in zake liefde voor de zaak enz. te verhinden tegen hem, die door het mandaat, dat de Partij hem gaf, nu eenmaal verplicht is tegen zulk drijven op te treden en hem als mikpunt te kiezen voor allerlei aanvallen, die hem in zijne kracht naar binnen en naar buiten moeten verzwakken, hem aan het hoongelach der tegenstanders overleveren.

Alleen indien men nu eenmaal heeft besloten, in 't belang der Partij of om persoonlijke redenen, hem van zijn plaats te dringen, bij de Partij èn het publiek te diskrediteeren en hem door een ander te vervangen, is zulk een taktiek de eenige juiste.

Ik heb dan ook van dit oogenblik af den indruk gehad, dat men mijne hoofdredaktie van die zijde niet meer wenschte en uit hetgeen later heeft plaats gehad, is de , juistheid dezer meening voldoende gebleken.

IV.

De Schoolkwestie.

In H e t Volk van 12 Februari 1901 (no. 265) heb ik de bespreking van de schoolkwestie ingeleid met een artikel, dat uitdrukkelijk voor de praktische politiek geen konklusie trok, maar uitsluitend de verhouding van staat en school behandelde in de veronderstelling, dat de staat in soc. dem. handen zou zijn. De bedoeling was voornamelijk, het begrip ,,vrije school" onder de partijgenooten los te maken van het konfessioneele karakter, dat de schoolstrijd ten onzent er aan heeft gegeven en een diskussie uit te lokken in de Partij. Het artikel slflot met de stellingen, dat de sociaal-demokratie den toenemenden invloed der arbeidersklasse op den staat van thans zal willen gebruiken, 1° om het geheele volk in de gelegenheid te stellen, voldoend lager-, vak-, middelbaar en hooger onderwijs te genieten en 2° om daarvoor zooveel mogelijk het volk zelf te organiseeren, met vrijheid van elke richting, om in hare school dien geestelijken dampkring te brengen, waarin zij zelf ademt.

Enkele weken later zei A. H. Gerhard in „de Vrije Gedachte" (no. 86) zijne meening over het onderwerp, waarbij hij kwam tot dezelfde konklusiën en daaruit voor de praktische politiek dit beginsel afleidde: de bijzondere school worde volkomen gel ij k gesteld in rechten en materiëele plichten aan de openbare school, de kosten der schoo1opvoeding geheel te dragen door den staat.

Sluiten