Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hetgeen de leuze was, waaronder zij hunne aktie voerden.

Enkele dezer punten zal ik nader toelichten; niet te diep echter zal ik ingaan op den toestand van désorganisatie in de Partij, door mij den vorigen zomer reeds gekonstateerd, toen nog slechts in de kiem aanwezig, in den loop van dit jaar tot zoodanige beteekenis aangegroeid, dat zij vriend en vijand in het oog moet vallen.

Laat ik eerst een kort woord zeggen over mijn eigen aandeel aan de krisis, die de Partij thans teistert.

Zij die meenen, dat ik om persoonlijke redenen de pen heb opgevat tegen de dogmatische richting, vergissen zich. In mijn eigen geval koncentreerde zich nu eenmaal de botsing onzer verschillende taktiek — ziedaar de kwestie. Wat mij zoo fel uit mijn tent loktte, dat was het optreden van Pannekoek en Van der Goes, toen zij midden in 't gevecht, bij de herstemmingen, tegen alle leidende organen der Partij dezelfde tegenleiding trachtten te geven, waarmede zij mij indertijd het werken onmogelijk hebben gemaakt. Wat mij dwong, den wind, door hen gezaaid, met een storm te beantwoorden, dat was de overtuiging, dat alleen op die wijze de onmogelijkheid en ontoelaatbaarheid van het voortdurend insinueeren en afbreken van leidende personen en organen der Partij als feit kon worden gedemonstreerd.

Wat mij eindelijk in de oppositie dreef, het was de zucht, om de beschroomde, niet op zichzelf vertrouwende massa der partijgenooten, die zich te weinig laat gelden, eindelijk eens mobiel te maken voor hun eigen zaak. Moet onze Partij zijn een tlournooiveld van intellektueelen, de politieke editie van een der letterkundige cóteriën uit de beweging van 1880 — of zal zij een , werkelijke Arbeiderspartij zijn, waarin de drijfkracht uitgaat van de nooden en behoeften en het verlangen naar maatschappelijke vrijmaking der beste, meest ontKvikkelde Nederlandsche arbeiders? Ziedaar de vraag, scherp te stellen, misschien zelfs t e scherp, opdat het antwoord door de Partij zou worden gegeven. Ziedaar ook de sleutel tot mijn optreden gedurende het afgeloopen jaar.

Uit de leiding der Partij heb ik mij ten slotte geheel teruggetrokken, toen mijne poging, om op dit optreden bij de herstemmingen van 1905 de aktie tegen de nieuwe Regeering op te bouwen, was afgestuit op de zucht van de meerderheid in het P. B., om de kleine minderheid-Pannekoek c.s. niet voor het hoofd te stooten en op het streven, om de Russische revolutie overal bij de haren bij te sleepen. Het mislukte „manifest", dat de partijgenooten op een goeden dag overviel, is de muis, die deze berg heeft gebaard.

In het algemeen heb ik de laattete jaren in de leiding der Partij lang niet die rol gespeeld, die vooral de burgerlijke pers mij toeschrijft.

Sluiten