Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer dus als bezwaar tegen de vrije, of meer precies, tegen de sektescholen aangevoerd wordt, dat daar aan de kinderen zekere godsdienstige denkbeelden worden ingeprent, die deze of gene als geestverstomping meent te moeten kwalificeeren: voor de bepaling van de houding van onze partij kan dit tg. bezwaar er geen zijn. Ook hoort men zeggen: laten de geloovigen hun kinderen godsdienstonderwijs laten geven buiten de school; op de school behoort dit niet. Maar dan vergeet men, dat het voor de calvinisten juist een hoofdpunt is, dat alle onderwijs met den geest hunner beginselen doortrokken is; en wij kunnen ons daar des te beter indenken, omdat wij ook beginselen aanhangen, waarvan wij weten dat ze het geheele doen en laten doordringen.

Willen wij hiermee zeggen, dat wij 't goedkeuren moeten, dat de thans bestaande kerkelijke scholen vrije beschikking krijgen over 's lands centen?

In geenen deele De onvoldoendheid van het onderwijs, het gebrekkige toezicht, de slechte inzichten van zoovele bijzondere scholen zijn door verscheidene onzer partijgenooten-onderwijzers voldoende bekend gemaakt.

Maar behoort dat noodzakelijk bij het begrip godsdienst op school? Als wij de bestaande bijzondere scholen als bij uitstek vijandig aan onze beweging beschouwen, is dat om al deze redenen; niet omdat er een godsdienstige kleur aan 't onderwijs is.

Is het onmogelijk, scholen te hebben met godsdienstig onderwijs, waar overigens aan de eischen van ruime ontwikkeling, grondig onderwijs, behoorlijke verzorging der kinderen, onafhankelijke positie van de onderwijzers voldaan is ?

Wij gaven reeds vroeger als onze meening te kennen, dat wij dit niet onmogelijk achten, dat er wel degelijk zulke maatregelen te stellen en inrichtingen te bedenken zijn, waardoor die twee te vereenigen zijn.

In dit geval is dus aan een billijken wensch van de geloovigen tegemoet te komen, zonder dat het onderwijs lijdt. Dan moeten wij daarvóór zijn; want het zou voor ons veel wenschelijker zijn, dan het nu geldende stelsel, waar onder instemming van de ongeloovige, de geloovige bourgeoisie 's lands geld aan scholen geeft, waar door onvoldoend toezicht eu slechte inrichting de verstandelijke ontwikkeling der arbeiderskinderen verwaarloosd wordt.

Het is dus een vraag van praktijk, van afzonderlijke beoordeeling van praktische voorstellen, zooals ook Geertsma verdedigd heeft. Onze taak is nu niet, die te bedenken; een kongresbesluit moet de ons leidende beginselen in een uitspraak neerleggen. Mocht het echter op geen wijze mogelijk blijken, deze twee praktische eischen: goed en tevens godsdienstig onderwijs, te vereenigen, dan valt het laatste en geeft het eerste alleen den doorslag.

Op zichzelf is deze strijdvraag voor ons geen beginselzaak — aan een abstract recht van de ouders hebben we maling; wij vragen alleen naar het belang van de arbeidersklasse; het is een vraag van wat de meest doeltreffende, praktische oplossing is.

Voor ons ligt de hoofdkwestie op onderwijsgebied niet in de vraag van godsdienst op school; ze ligt voor ons in de grondige en uitgebreide geestontwikkeling, in voldoend en ruim onderwijs, publiek toezicht, beletten van kinderarbeid, lichamelijke verzorging, in de vrijheid en onafhankelijkheid van de ouderwijzers vooral en de verzekerdheid van hun positie. Alleen voor regeling van het onderwijs, waarbij hieraan voldaan is, zijn wij te vinden.

De strijdvraag is er een, die voortvloeit uit de geworden omstandigheden, tevens een specifiek Nederlandsche. Ze is er in onze partij, omdat wij in ons land een sterk calvinistisch volksdeel hebben, dat door den aard van zijn geloof in een christelijke school een ideaal moest zien, dat ze ook door volhardenden strijd gewonnen hebben. Thans teruggaan is onmogelijk en ongewenscht, ook al is men overtuigd, dat onze eischen in een neutrale staatsschool wat gemak-

Sluiten