Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra de aktie in zake kiesrecht, door de scheiding der vrijzinnige demokraten van de liberale partij, zich niet meer in eerste instantie tegen de liberale demokraten behoefte te richten, is zij door Troelstra gericht tegen de antirevolutionairen. Geheel volgens ons beginsel heeft hij bij de begrootiugsdebatten van 1901 zijn eersten aanval gedaan op de theologische verhulling van den klassenstrijd door de antirevolutionairen en met zijn val in het kiesdistrict Veendain heeft hij dit optreden moeten boeten.

Als partijredaktie hebben wij steeds in denzelfden geest gehandeld.

Steeds worden de grenzen tusschen de klein-burgerlijke politiek der antirevolutionairen en vrijzinnig-demokraten eenerzijds en die der arbeiuersklasse anderzijds, zoo scherp mogelijk getrokken. Tegenover Treub werd de verdringing van het kleinbedrijf en het historisch materialisme verdedigd; in de Kuyperiaansche politiek werd steeds het kapitalistische en kleinburgerlijke element aangetoond en bestreden; tegenover Boissevain werd de ideologie onzer liberale bourgeoisie ontmaskerd, steeds werd het wapen der soc.-dem. kritiek gehanteerd, de klassenstrijd in elk opzicht gevoerd.

Het voegt 'ons niet. zeiven een oordeel uit te spreken over de wijze, waarop wij het soc.-dem. standpunt hebben verdedigd 5 alleen dat wij steeds streefden, het zoo zuiver mogelijk te handhaven, is een feit, dat wij tegenover ieder durven volhouden.

Opportunistisch waren wij evenmin ten opzichte van de vakbeweging, liet vorig jaar voerden wij nog met woord en schrift een lievigen en langdurigen strijd tegen de anti-soc.-dem. opvatting omtrent het standpunt der vakbeweging, die in ons land bestaat. Geen halve of heele tegenwerking van allerlei zijde heeft ons kunnen beletten, de valsche „neutraliteit", waarbij zich vele partijgenooten in de vakbeweging maar al te gemakkelijk neerleggen, te ontmaskeren. Onze strijd tegen het anarchisme werd eveneens getrouw voortgezet.

En hoewel wij ineenen, in het belang der Partij, in onze strijdende partijgenooten bovenal het goede te moeten zien, dat zij doen, daar zij als onze voorvechters onzen moreelen steun tegen den vijand noodig hebben, schroomden wij, als tegen ons standpunt werd gezondigd, niet daartegen op te komen.

Wij meenen dus, in geene der vele kwaliteiten, waarin wij de Partij dienen, ooit blijk van een opportunistische opvatting te hebben gegeven en wanneer nu ons verschil van inzicht in de agrarische en de schoolkwestie door enkele intellektueelen wordt geweten aan ons opportunisme, dan geeft men aan onze houding een uitlegging, die strijdt met ons optreden tot heden in de beweging.

I11 elk opzicht dus werpen wij elke gedachte aan opportunisme zoo ver

mogelijk van ons. . „ .

Da' partijgenooten, die de beweging niet geheel bevredigt — wat zij niemand zal doen, daar onze revolutionaire gezindheid steeds moeite zal hebben, zich met den langzamen groei der beweging, de breking van het zuiver licht der theorie in het prisma der werkelijkheid, het gemis aan een groote dramatische aktie van het proletariaat, te verzoenen hunne onvoldaanheid wijten aan bepaalde personen — is een gewoon verschijnsel. Bij ons echter zijn zij aan het verkeerde adres. En zoodra er anderen mochten zijn, die zich aan opportunisme schuldig maken, hopen ook wij tegenover dezen onzen plicht te doen.

„Opportunisme" beteekent: beginselloosheid; een zwenken naar rechts en links ter bereiking van kleine alledaagsche voordeelen; opgaan in de toevallige

Sluiten