Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt gebruikt, moet zoodanig zijn ingericht, dat het water behoorlijk kan afloopen.

Artikel 130.

De vloer van een werklokaal, als bedoeld in artikel 121, alsmede die van een werklokaal, waar eene aan bederf onderhevige stof wordt verwerkt, moet eenmaal of zoo vele malen per week als de bevoegde ambtenaar noodig oordeelt worden geschrobd of gedweild.

Artikel 131.

De vloer van een werklokaal, niet bedoeld in liet vorige artikel, moet worden geschrobd of gedweild telkens na den tijd, die door den bevoegden ambtenaar is bepaald.

Artikel 132.

\\ aar de aard van het bedrijf zich tegen schrobben of dweilen van de vloer verzet, zijn de artikelen 130 en 131 niet van toepassing, maar moet de vloer worden gereinigd overeenkomstig de aanwijzingen van den bevoegden ambtenaar.

Artikel 133.

Wanneer de bevoegde ambtenaar zulks noodig oordeelt, moet tei plaatse, waar arbeid wordt verricht, een houten vloer of een houten rooster aanwezig zijn.

Artikel 134.

Een weikiokaal met aanhoorigheden moet zooveel mogelijk zindelijk, stofvrij en droog worden gehouden. Privaten en urinoirs moeten zooveel mogelijk zindelijk en stofvrij worden gehouden.

Artikel 13a.

Het bij de bewerking ontstane afval, inzonderheid indien dit aan bederf onderhevig is, moet spoedig verwijderd worden.

Artikel 136.

De wanden en de zoldering van een werklokaal moeten ten minste eenmaal in de 15 maanden naar den aard en behoorlijk woidtiii gewit, afgewasschen of op andere wijze gereinigd.

Artikel 137.

W aschyelegenhedev.

In eene fabriek of werkplaats, waarin arbeiders werkzaam ziin m een werklokaal, als bedoeld in artikel 121, onder a 1 of 2. b. ci ei t of g alsmede in een fabriek, waar arbeiders aan groote warmte, stof of vuil zijn blootgesteld, moeten voor die arbeiders binnenshuis gelegen, naar seksen gescheiden en doelmatige waschgelegenheden — ten minste één voor elke 5 of minder arbeiders

Sluiten