Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Natuur.

I.

Kan men ooit zulk een gelukkig mensch denken als ik hen ? Kerst heb ik natuur gekend in al haar schoonheid. O wat ben 'k verliefd geweest op haar, hoe ben 'k tot haar gegaan 's avonds, als zij groen was en donkerblauw, en purper en geheimvol, en haar zon zonk weg in de plooien van haar lieve kleed.

Hoe heb ik haar toen liefgehad, hoe ben ik tegen haar aangezonken, hoe heb ik in haar gelegen, en heb uitgegoten mijn wezen in haar. — En 's morgens als ik opstond in haar, hoe was zij mij mijn spiegelende liefste, alles hief ze op eens op van haar pracht. Was zij te veel? Neen nooit was zij te veel, ik kon haar aan,

mijn hart was groot genoeg, zij stortte in haar zon. haar aarde, haar lucht, diep in mij, en elk schatje van haar vatte ik goed.

k Omhelsde hare grootheid, en zoo was 't den heelen dag van d' ochtend tot den avond, en d' heelen nacht van de avond tot den dag.

Sluiten